Kakelbont, met oog voor de avantgarde

Bij Björk kan het – nog steeds – nooit eens gewoon.

Op haar nieuwe cd Volta brengt ze producer Timbaland samen met Min Xiao-Fen en Antony.

Kleurrijk, dat is nog wel de kortste manier om Björk te omschrijven, of: kakelbont. In het klaphoesje van haar nieuwe cd Volta zien we hoe ze haar gezicht heeft geschminkt in alle kleuren van de regenboog. De rest van haar outfit is natuurlijk geheel in stijl: grof gehaakt en bontgekleurd.

Kakelbont is ook de muziek op Volta. Wie anders dan Björk flikt het om r&b-vernieuwer Timbaland en de opzwepende Congolese groep Konono No. 1, druk in de weer met likembes (een soort duimpiano), op hetzelfde nummer samen te brengen? Of de weeïge kora-klanken (Afrikaanse harp) van Toumani Diabate, het exotische spel op de pipa (een soort luit) van Min Xiao-Fen, de avantgardistische ritmes van slagwerkers Chris Corsano en Brian Chippendale en de geslachtsloze mooizingerij van Antony Hegarty (van The Johnsons)?

Voor een popster van Björks statuur zijn dat verrassende namen, maar voor Björk zelf welbeschouwd niet. Haar samenwerking met Timbaland brengt haar nadrukkelijk niet in het gezelschap van Justin Timberlake en Nelly Furtado, om maar een paar recente, beroemde cliënten van die man te noemen. Want daarvoor heeft ze te veel oog voor de avantgarde, voor die muzikanten die normaal gesproken in relatieve anonimiteit hun grensverleggende dingen doen.

Maar de visie van Björk smeedt zulke uiteenlopende bronnen aan elkaar tot moderne popmuziek. Dat was al zo toen ze in 1993 haar solocarrière een kopstart gaf, met Debut (niet haar eigenlijke debuut, maar dat is een ander verhaal). De elektronische dansmuziek van die dagen barstte weliswaar van vernieuwingsdrang, maar was nog niet tot de mainstream doorgedrongen. Björk kneedde de dance-conventies tot iets eigens. In de rug gesteund door Nellee Hooper (de producer van Massive Attack) en, opvolger Post, Graham Massey (van dancegroep 808 State), Tricky en Howie B.

Sinds Homogenic (1997) is Mark Bell, van het Britse technoduo LFO, haar voornaamste leverancier van beats. Maar omdat het altijd nog afwijkender kan dook impro-harpiste Zeena Parkins ineens in haar band op. Ook het Californische duo Matmos werd in haar band ingelijfd.

Medúlla (2004) was van a tot z opgetrokken uit vocalen, bewerkt of niet, en op Drawing Restraint 9 (2005) dook Björk in de oude Japanse hofmuziek. Maar dat was dan ook de soundtrack van een film van Björks huidige wederhelft Matthew Barney, waarin hij met Björk de hoofdrol speelde – een film over een paartje dat in de Japanse wateren ronddobberde, en langzaam zelf in walvissen veranderde.

Bij Björk kan het nooit eens gewoon. Dat was al zo toen ze in de jaren ’80 in het alternatieve circuit van IJsland rondhobbelde. Van de verschillende bands waarin ze toen zitting had, kreeg Sugarcubes de grootste respons. Die groep leverde sterke, verbeeldingrijke indiepop, maar het is geen wonder dat Björk pas echt tot volle bloei kwam als solo-artieste. Ongehinderd door de belemmeringen van het groepsformaat invloeden en medemuzikanten kiezend zoals haar grillige temperament het ingeeft. Na abstracte albums als Medúlla en Drawing Restraint 9 is het natuurlijk logisch dat ze voor een meer pop- en beats-georiënteerde richting kiest. Net zoals het logisch is dat zo’n plaat in haar handen toch weer lekker afwijkend klinkt.

Dat mag u best pretentieus en gekunsteld noemen, zeker als u toch al uitslag krijgt van de zangstijl van Björk: vol gierende uithalen en jubelende oehs en ahs. Maar er zit beslist visie in de manier waarop Björk al die verschillende invalshoeken, stijlen, culturen en dwarskoppen in haar carrière, op dezelfde plaat, in hetzelfde nummer samenbrengt. En misschien zelfs een soort politiek statement: hoezo botsing der beschavingen? Als het op zo’n plaat allemaal samen kan, dan ook in de wereld, of in uw wijk.

En altijd is er ruimte voor een bevrijdende knipoog. Hoe schattig immers is de manier waarop Björk, laatst tijdens een concert, No Limits van ons eigen 2 Unlimited coverde.

Björks nieuwe cd: Volta (One Little Indian, Universal)