Hirsi Ali weet niet waarover ze praat

Volgens Ayaan Hirsi Ali is het gevaar groot dat in Turkije de islamisten de macht grijpen. Zonder leger en justitie zou dat al gebeurd zijn. De seculieren moeten nu het volk niet overlaten aan de succesvolle islamitische AKP.

Maar volgens Erik-Jan Zürcher heeft Hirsi Ali er niet veel van begrepen. De AKP is helemaal niet uit op een islamitische revolutie. Het is een conservatieve volkspartij die aansluiting zoekt bij de EU.

Joost Lagendijk moet ook niets van Hirsi Ali’s ideeën hebben. De AKP heeft meer voor de modernisering gedaan dan alle seculieren. En een leger kan nooit de hoeder van democratie zijn.

Volgens Ayaan Hirsi Ali hebben de Turkse secularisten zitten slapen, terwijl de regering van de AKP, die sinds vijf jaar aan de macht is, haar machtspositie misbruikt om het land sluipend om te bouwen tot een islamitische staat. Haar oplossing is om, wanneer ‘islamisten’ in democratische verkiezingen een meerderheid krijgen, te vertrouwen op de legerleiding als hoeder van democratie en secularisme.

Maar het was juist de Turkse legerleiding die, na de staatsgreep van 1980, het Turkse nationalisme een nieuwe religieuze kleur gaf (de ‘Turks-islamitische synthese’) in de hoop een staatsgecontroleerde islam in te zetten als tegengif tegen socialisme en fundamentalisme. De middenklasse werd al begin jaren negentig ongerust over de manier waarop de staat zelf de deur openzette voor een steeds grotere rol van religieuze bewegingen. Ze zag hoe belijdende moslims in sleutelposities kwamen en begon zich te organiseren in clubs als de Vereniging voor het Atatürkistische Denken en de Vereniging voor Steun aan het Moderne Leven.

Toen in 1995 de islamistische Welvaartspartij met 21 procent de grootste partij van Turkije werd en haar leider, Necmettin Erbakan, premier werd, trokken de burgerlijke secularisten ten strijde tegen de nieuwe regering. Het leger, dat inmiddels ook spijt had van de manier waarop het na 1980 de islam had gestimuleerd, maakte zichzelf tot speerpunt van de secularistische beweging. In de zomer van 1997 werd premier Erbakan ten val gebracht. Een reeks van maatregelen die het gevaar van islamisering moesten indammen, werd doorgevoerd. De secularisten in Turkije hebben dus allerminst zitten slapen, ze zijn al meer dan een decennium in het offensief.

Ook de analyse van de AKP door Hirsi Ali is misleidend. Zonder enige onderbouwing schuift zij de partij in de schoenen dat zij uit is op een islamitische revolutie. De realiteit is anders. Nadat hun partij in 1997 uit de macht was verdreven en kort daarna was verboden, openden jongere volgelingen van Erbakan zoals Tayyip Erdogan (de populaire burgemeester van Istanbul) en Abdullah Gül een debat over de koers die hun beweging in de toekomst zou moeten volgen. Terwijl de oude garde rond Erbakan wilde vasthouden aan een strikt islamitische lijn, wilden Erdogan en Gül het ideologische gedachtengoed grotendeels overboord gooien en als brede conservatieve volkspartij het centrum opzoeken. Erbakans islamistische hardliners werden in de verkiezingen van 2002 tot een marginale groep gereduceerd, terwijl de nieuw opgerichte AKP een overweldigende verkiezingsoverwinning boekte.

De AKP van Erdogan en Gül is een partij die economisch liberalisme combineert met conservatieve waarden, maar het zijn geen fundamentalisten. De regering van de AKP heeft een reeks hervormingen doorgevoerd die van Turkije meer een Europees land hebben gemaakt. Het Turkse burgerlijk wetboek behoort nu tot de vooruitstrevendste in de wereld. Er is geen enkele aanwijzing dat de AKP de shari’a wil invoeren, de rente wil afschaffen of gemengd zwemmen wil verbieden (zoals duizenden Nederlanders aan Turkse stranden kunnen beamen).

Enquêtes tonen aan dat de AKP-aanhang, samen met de Koerdische partij, het meest enthousiast is voor het lidmaatschap van de EU. De conservatieve waarden waar de AKP voor staat, reflecteren getrouw het wereldbeeld van de kleinere ondernemers en immigranten van het platteland waar de partij vooral op steunt. Dat zijn geen fundamentalisten – volgens alle onderzoeken wil maar 10-15 procent van de Turken een islamitische staat. Ze willen geen sluiers voor hun vrouwen, maar wel dat hun dochters ‘fatsoenlijk’ met een hoofddoekje naar school kunnen, wat nu verboden is. De AKP is ook de stem van de periferie, van de mensen die door de seculiere elite de toegang tot het centrum van de macht altijd is ontzegd.

Veel secularisten in Turkije vertrouwen de AKP desondanks niet. Ze delen het zwart-witte wereldbeeld van Hirsi Ali, waarin islam en democratie elkaar uitsluiten. Ze hebben ongelijk, maar omdat er zoveel op het spel staat, is hun angst begrijpelijk.

Als het onverhoopt wel zo mocht zijn dat Erdogan en de zijnen in het geheim dromen van een islamitische staat, zou dat een directe bedreiging vormen voor de westerse manier van leven van de burgerlijke midden- en bovenklasse. We moeten die angst dus serieus nemen, maar de oplossing kan niet zijn om dan maar een uitzonderingspositie voor Turkije te claimen, zoals Hirsi Ali doet, en te bepleiten dat het Turkse leger niet onder controle van de regering moet worden gebracht. Voor Europa is een lidstaat met een leger dat geheel naar eigen goeddunken ingrijpt in politiek en bestuur (zoals nu in Turkije het geval is) niet te slikken. Nee, het lidmaatschap zelf van de EU zal op den duur de Turkse secularisten de zekerheid moeten bieden dat zij in een westers land leven, waar democratie en mensenrechten gewoon zijn – net als gemengd zwemmen en bier drinken. Voorlopig is de speciale rol van het leger als steunpilaar van de seculiere orde nog nodig om de middenklasse een gevoel van veiligheid te geven. Maar het leger zal zijn politieke rol geleidelijk moeten opgeven, naarmate de Europese integratie vordert.

Erik-Jan Zürcher is hoogleraar Turkse Talen en Culturen aan de Universiteit Leiden.