Extra-edietsiiiie!

Extraausgabee – ! Neue Freie Presse! Die Pluttat von Serajevo! Da Täta ein Serbee! Die letzten Tage der Menschheit is een toneelstuk van 229 scènes en een epiloog dat Karl Kraus voor een theater op de planeet Mars had toegedacht. Het was hier op aarde met ons armzalige tijdsbesef onmogelijk op te voeren. Tien avonden moest je ervoor uittrekken, had hij uitgerekend. Toch is dat nog maar een van de minste van de problemen die dit grote anti-oorlogsdrama aankleven. Er wordt weliswaar geen Martiaans in gesproken, maar wel alle mogelijke Duitse en Oostenrijkse dialecten uit het multiculturele veelvolkerenrijk Oostenrijk-Hongarije. Het speelt zich grotendeels af in Wenen in de jaren 1914-1918, en het karakteristieke taaleigen is in alle fonetische finesses en onorthodoxe orthografie weergegeven. Want Kraus behoorde tot het ras van schrijvers die de taal uiterst serieus namen en ‘schreven met hun oren’ zoals Anthony Burgess grote schrijvers karakteriseerde. Niet alleen het Weens van de straat klinkt erin op, ook het Jiddische Weens, de taal van Galicische vluchtelingen en ook het gesproken Berlijns zoals we dat kennen uit Berlin Alexanderplatz (‘Na jut, Franz!’). Zelfs een journalist uit Hannover laat Kraus in z’n eigen dialect aan het woord. De vraag is: wat moet je daarmee aan als vertaler? Immers: in de echte wereld worden vele dialecten gesproken en geschreven, maar in Vertalië komen ze er vaak nogal bekaaid af. Een dialect in Vertalië is een dood paard waar de vertaler het liefst zo snel mogelijk overheen springt. Je kunt er als vertaler grofweg drie dingen mee doen. a) Niks. Dit komt de leesbaarheid zeer ten goede. In de Franse vertaling van het stuk staat: ‘Édition spéciale —! La Neue Freie Presse! Attentat sangant à Sarajevo! Le meurtrier, un Serbe!’ Wat zelfs al voor mensen met zes jaar middelbareschoolfrans bijna te begrijpen is. Maar in vergelijking met het origineel verlies je iets, vooral aan sfeer, wat niet gecompenseerd wordt. Mogelijkheid b) Je vertaalt het met een bestaand Nederlands dialect, of een ander soort Nederlands. Het nadeel is dat het al snel te geografisch determinant wordt en je gaat denken dat het verhaal zich op de Veluwe of in de Antwerpse Seefhoek afspeelt. Een recente vertaling van Huckleberry Finn heeft bijvoorbeeld het Mississippiaans van Nigger Jim omgezet in een soort Zuid-Afrikaans: ‘Nou dan! Verduveld nog an toe, waarom praat ie dan nie as een mens nie?’ Wat beduidend gedistingeerder klinkt dan het origineel: ‘Well, den! Dad blame him, why doan he talk like a man?’ En passant krijgt het volwassen Zuid-Afrikaans het stigma van een brabbeltaaltje, wat toch ook niet de bedoeling kan zijn. Zoals vertaler Jan Mysjkin het ooit zei: ‘Je moet slechts de suggestie van een dialect wekken.’ En dat brengt ons bij optie c) Een kunstdialect scheppen. In dit geval moeten we zoeken naar een Weens soort Nederlands, een Berlijns soort Nederlands. Het Nederlands dat een Wener of een Berlijner hier zou spreken. Met andere woorden: een dialect vertalen alsof het een accent was. De vreemde schrijfwijze komt dan de instant leesbaarheid misschien niet ten goede, maar de sfeer wel. En daarmee benader je het oorspronkelijke werk toch wel het dichtst.