Einde van een gipsen droom

Het gaat niet goed met de Cinecittà-studio’s bij Rome. Waar Fellini zijn films opnam worden nu bedrijfsfeesten gehouden. Toch geeft de top van Cinecittà de moed niet op. „Studio 5 is nog altijd de grootste van Europa.”

Federico Fellini (met zonnebril) in Studio 5 van Cinecittà foto Cinecittà Studios Cinecittà Studios

Korte rokjes, diepe decolletés, haren gelakt, de zonnebril erin geplakt. Tita, Gelsomina, Melani en Dora heten ze. Ze komen uit de Napolitaanse volkswijk Santa Maria della Fede en ze hebben een droom. Ze willen vandaag ontdekt worden in Cinecittà, de roemruchte Italiaanse filmstudio’s. Ze zijn met een groep tieners in de bus naar Rome gekomen. Opgewonden giechelen ze: „Het is heel belangrijk. We komen op televisie. Nieuwe ervaringen, nieuwe kansen.” Ze mogen meewerken aan het populaire programma Mannen en Vrouwen van gastvrouw Maria De Filippi dat dagelijks te zien is op een van de zenders van Silvio Berlusconi.

„Dit is Cinecittà”, zegt Franco Mariotti. Deze week bestaat het ‘Hollywood aan de Tiber’ zeventig jaar. „Hier zijn 3000 films gemaakt, waarvan er 90 een Oscarnominatie kregen en 47 een Oscar wonnen.” Vijftig jaar geleden stond Mariotti, net als veel Romeinse jongeren, aan de poort van de studio’s. Niet om op tv te komen, zoals de jeugd nu wil, maar om te werken bij de film die toen het summum van glitter en glamour was. Nu is Mariotti assistent van de president van Cinecittà Holding: „Cinecittà fascineert en dat zal nooit veranderen”, zegt hij, al kijkt hij met afgrijzen hoe ordinair de meisjes zich aanbieden. Hij vindt dat het niet meer is als vroeger. Ja, de mythe bestaat nog, die overleeft zelfs tv-programma’s als Mannen en Vrouwen en Big Brother die hier worden opgenomen. Maar deze droomfabriek heeft geen klasse meer.

We lopen langs de grote Studio 5. Marokkaanse uitzendkrachten breken een gigantische stellage af, de tribune voor het oprichtingscongres van de nieuwe Italiaanse Democratische Partij. Hier, onder dit dertig meter hoge dak, was Federico Fellini thuis. Hier bouwde hij de Trevi-fontein na, waarin Anita Ekberg paradeerde voor La Dolce Vita (1959). Hier werkten grote regisseurs als Vittorio de Sica, Luchino Visconti. Hier schitterden Sophia Loren, Gina Lollobrigida, Marcello Mastroianni. Hier werden internationale historische spektakelfilms als Quo Vadis (1951), Ben Hur (1959) en Cleopatra (1963) opgenomen. Maar ook het kleinood Bellissima (1951) van Visconti, de film met Anna Magnani als de Romeinse moeder die alles doet om haar kind als sterretje op de filmset te krijgen. Een ambitie die, kijkend naar de Napolitaanse tieners die op tv willen, hier van alle tijden is.

Ook Once upon a time in the west (1969) is hier gemaakt, De naam van de Roos (1986), naar het boek van Umberto Eco, en Cliffhanger (1992) van Sylvester Stallone. De meest recente grote producties waren: The English Patient (1996), Gangs of New York (2001) , The Passion of the Christ (2003), Exorcist: The Beginning (2004) en de BBC-televisieserie Rome (2004).

Vandaag is het rustig. Er wordt geen film opgenomen en zo is het vaak. Behalve aan de dagelijkse realityshows wordt er gewerkt aan een reclamespotje voor telefoniebedrijf Vodafone. Tientallen als succesvolle yuppen geklede figuranten wachten tot ze moeten opdraven.

„De productie van speelfilms is fors teruggelopen”, vertelt Mariotti. Er worden hier nog maar vijftien Italiaanse en een of twee internationale producties per jaar gemaakt. Wel komen Italiaanse en buitenlandse filmers nog naar Rome om af te monteren, decorornamenten te bestellen, of gebruik te maken van de digitale faciliteiten. Zo’n 60 procent van alle activiteiten is nu gericht op televisie. Commercials zijn goed voor 15 procent van de omzet, films nog maar voor 20 procent. Vooral de ‘special events’, zoals bedrijfsfeesten in de Cinecittà-decors, zijn nu in opkomst. Mercedes Benz, Telecom Italia en Jaguar gaven hier hun partijtjes.

Cinecittà strijdt om te overleven, terwijl het stuc van de gebouwen bladdert. Maar dat doet niets af aan de prachtige atmosfeer die het terrein biedt voor wie vrij van stadse stress aan de rand van Rome een film wil maken. Groene grasvelden, symmetrische laagbouw en lange lanen met pijnbomen die uitzicht bieden op het Romeinse aquaduct van Appius Claudius, waar nog immer de schapen grazen.

Het begon allemaal op

28 april 1937. Toen opende de fascistische dictator Mussolini de studio’s. Hij had begrepen dat film een ideaal instrument was voor propaganda en dus had hij opdracht gegeven tot de bouw van dit complex dat uniek was voor Europa. Het terrein was twee keer zo groot als het nu is. Nog altijd is Cinecittà met zijn 22 podia, 280 kleedkamers en kantoren, 40 hectare terrein en zijn vele openluchtdecors een van de grootste filmstudio’s van Europa. „Een regisseur die hier met een script binnen komt lopen, kan er met het filmblik weer uitwandelen. We bieden alle diensten”, zegt directeur Alessandro Battisti van Cinecittá Holding.

De eerste film die in 1937 werd gemaakt was Scipione l’Africano, over de Romeinse generaal die Hannibal versloeg. Deze film van Carmine Gallone voldeed perfect aan Mussolini’s wens om het roemruchte Romeinse verleden te doen herleven en zich eraan te spiegelen. De structuur en opzet van Cinecittà waren duidelijk fascistisch, maar de meeste cineasten die er werkten waren dat niet. Zo konden al in de oorlog maatschappijkritische films als Ossessione (1943) van Luchino Visconti worden gemaakt, de film die anticipeerde op de beroemde naoorlogse neorealistische meesterwerken.

Mussolini’s propaganda werd vooral verspreid via documentaires, die toen heel populair waren, en via de filmjournaals die werden verzorgd door het door hem opgezette instituut Luce. Dagelijks maakte men daar een nieuw journaal, vertelt Luigi Oggiano, conservator van Luce. „De journaals werden via een vernuftig netwerk van busjes met opklapbare filmschermen en projectoren de volgende dag al in het hele land vertoond, voorafgaand aan de speelfilms.”

Aan het eind van de oorlog speelden zich wrede taferelen af op het terrein van Cinecittà – het deed toen dienst als gevangenis. Na de bevrijding was het een vluchtelingenkamp. Maar eind jaren veertig kon de glorietijd beginnen. Mussolini had de Italiaanse filmwereld een kant en klaar productiepaleis nagelaten. De Italiaanse fantasie en de verbeeldingskracht van de regisseurs en technici die waren opgeleid in het Centro Sperimentale di Cinematografia vlakbij Cinecittà, deden de rest. „Je mag het misschien niet zeggen. Maar het fascisme en Mussolini hebben meer voor de cultuur gedaan dan alle Italiaanse regeringen erna”, zegt Mariotti. Tijdens het fascisme is de regisseursopleiding geopend en ook het instituut Luce, dat nu een enorme collectie films van voor 1970 beheert.

In de eregalerij, midden op het terrein, hangen affiches en foto’s van alle topfilms van Cinecittà in chronologische volgorde aan de muur. Al direct na de oorlog spettert de sensualiteit van de filmfoto’s. De grote diva’s nemen Cinecittà over, Hollywood aan de Tiber wordt geboren. Cinecittà helpt Italië beroemd te worden in de wereld. De studio’s groeien uit tot hét expertisecentrum van Europa. Naast de grote Italiaanse neorealisten komen ook veel Amerikaanse regisseurs en acteurs naar Rome om er hun films op te nemen.

„In sommige jaren zijn er wel vierhonderd films geproduceerd in Cinecittà”, vertelt Mariotti terwijl hij ons rondleidt. In die tijd schiepen Italiaanse schilders, beeldhouwers en ambachtslieden met kwast en spijkers droomwerelden. De studio’s hadden 800 arbeiders in dienst. Nu is dat niet meer dan de helft.

De familie De Angelis

was er vanaf het eerste moment bij. Mevrouw De Angelis ontvangt voor haar atelier, omringd door gigantische beelden van Griekse goden en van beroemdheden uit de geschiedenis. Binnen geeft Adriano De Angelis een rondleiding langs de bustes, lampen, spiegels en dierenkoppen die ooit een belangrijke rol vervulden in de filmklassiekers. De vergulde sfinxen uit Cleopatra, de dolfijnen die dienst deden als rondetellers in Ben Hur, de kroonluchters uit Dood in Venetië; van gips en fiberglas gemaakt en opgeslagen voor volgende generaties. „Je kunt de geschiedenis van Cinecittà aan de hand van deze decorstukken schrijven”, zegt De Angelis.

Zijn opa begon aan het begin van de eeuw in Cinecittà. Diens zoon, de vader van Adriano, volgde hem op. Nu werkt hij hier zelf met zijn zonen en hopelijk straks zijn kleinkinderen. Marcello Mastroianni was een familievriend, omdat hij met zijn oom op de middelbare school had gezeten. Fellini was kind aan huis, omdat die zich ook persoonlijk met de decors voor zijn films bemoeide. „Fellini woonde zowat in Studio 5, de plek waar hij in 1993 na zijn overlijden ook werd opgebaard. 160.000 Romeinen trokken langs zijn baar. De kist stond opgesteld tegen een gigantisch hemelsblauw scherm en werd geflankeerd door twee carabinieri in vol ornaat.”

Sylvester Stallone werkte tijdens de opnames van Daylight twee weken in het atelier mee. Voor andere in Amerika opgenomen grote producties, zoals Gladiator, maakten de De Angelis alle decorstukken, die vervolgens werden verscheept naar Hollywood.

Maar vandaag is het rustig in het atelier, er is geen film om aan te werken. „Vroeger waren we soms met zeven films tegelijk bezig en hadden we zeventig man in dienst. Nu mogen we blij zijn als er één wordt gedraaid en kunnen we het met zijn vieren af”, zegt De Angelis: „De droom van Cinecittà is geen werkelijkheid meer. Je ziet zelden nog een acteur of regisseur op het terrein.”

Hij wil optimistisch blijven, maar de computerkunstenaars kunnen zijn handwerk veel goedkoper virtueel uitvoeren. En steeds vaker draaien regisseurs hun films op bestaande locaties. „Alles is tegenwoordig af te huren”, zo klaagt mevrouw De Angelis. „Pas geleden wist een producent zelfs een kerkhof te huren voor 5000 euro.”

De Angelis: „Het enige wat wij nog mochten maken, waren de bordjes voor de grafzerken die de namen van de doden daar moesten bedekken.”

Voorbij de ateliers en opslagruimten van De Angelis doemt een bizar landschap in fiberglas op. Het plein voor de kerk van Assisi grenst hier aan een Nederlands dorp met trapgevels, even verder ligt een Schotse straat. In de verte staat een gigantisch scherm van meer dan honderd bij twintig meter achter een leeg bassin voor drie miljoen liter water. Dat stelde ooit de haven van Venetië voor en ook die van New York. „Hier kunnen we explosies nabootsen”, zegt Catherine Lowing, de pr-medewerkster van Cinecittà. Dan doemen Romeinse en Egyptische tempels op, de decors voor de BBC-serieRome. Daarachter het pronkstuk: het negentiende-eeuwse Manhattan, een straat van wel honderd meter lang uit Gangs of New York van Martin Scorsese. Soms worden delen van andere films in de decors opgenomen, vaak ook reclames. „We laten het staan, zolang we de ruimte niet nodig hebben voor een nieuwe productie”, zegt Lowing.

Ook volgens haar is het grotendeels afgelopen met deze vorm van decorbouw. „Alles draait om de kosten. Als het goedkoper op de computer of op locatie kan dan kiest men daarvoor.”

Net als de familie De Angelis

hoopt ook de directie van Cinecittà op een terugkeer van de gouden tijden. En gelukkig zijn er hoopvolle tekenen. Italië kent veel talentrijke jonge regisseurs. Het Italiaanse publiek wil weer meer Italiaanse films zien. Nu is alweer 40 procent van de films die worden bezocht een Italiaanse productie, enkele jaren geleden was dat nog maar 20 procent.

„Het probleem voor Cinecittà is dat andere Europese landen meer belastingvoordelen bieden aan mensen die in film willen investeren”, zegt directeur Battisti van Cinecittà Holding. Vorig jaar is er een nieuwe wet aangenomen die Italië aantrekkelijker moet maken voor filmers. Ook moeten er maatregelen worden genomen tegen de piraterij op internet. Battisti: „De filmwereld moet niet teveel in het verleden blijven hangen. We moeten onze tijd begrijpen. Meer samenwerken met tv, ontdekken hoe je ook iets kunt doen op de mobieltjes en op internet.”

Ook de digitalisering van het filmarchief van Luce kan meehelpen aan een opleving van Cinecittà. Nu al is een groot deel ervan op de site www.luce.it tegen betaling te downloaden. Batisti: „Door de films te restaureren en te digitaliseren hopen we te kunnen verdienen aan de rechten. We willen de films van Roberto Rossellini, Bernardo Bertolucci, Visconti en vele anderen herlanceren en ook weer uitbrengen op dvd. Het geld dat deze films opleveren, moet weer terugvloeien naar de cinema.”

De combinatie van nieuwe financiële prikkels en de professionaliteit van technici, timmerlui, decorbouwers, belichters en kostuumontwerpers, moet Cinecittà nieuwe kansen garanderen, meent Battisti. „Studio 5 is nog altijd de grootste van Europa.”

Om te slagen zullen hier toch meer internationale producties van de grond moeten komen. En het is de vraag of Cinecittà de concurrentie met goedkope studio’s in Zuid-Afrika, Oost-Europa en Australië aan kan. Battisti is voorzichtig optimistisch, Mariotti: „Cinecittà zal nooit meer de motor van de filmindustrie zijn, zoals vroeger. Maar het zal niet verdwijnen. Er zullen altijd nostalgische regisseurs op deze historische grond blijven filmen.”