Een gezinsuitje van na mijn tijd

Haal ik het Nationaal Historisch Museum nog?

Twijfelachtig.

Minister Plasterk, sympathieke samendoener, bleef niet geduldig zitten wachten tot alle gegadigde steden met hun bidbook langs waren komen, maar reisde in het kader van de Honderd Dagen drie potentiële vestigingssteden tegemoet om te horen wat ze er daar van vonden. Arnhem, Den Haag, Amsterdam.

Had hij een voorkeur?

In NRC Handelsblad las ik hoe hij op Arnhem had gereageerd. „Een echt gezinsuitje”, zou hij daar hebben gezegd. „Eerst naar het Openluchtmuseum. Dan pannenkoeken eten, en dan naar het geschiedenismuseum.”

Zo’n soort gevoel had ik al vanaf het moment dat Jan Marijnissen het half-marxistische begrip Huis der Geschiedenis begon uit te venten, en allerlei ondernemerige types het visioen kregen van een gat in de markt zo groot als Disneyland. Dat, maar dan met Willem van Oranje, de Overwintering op Nova Zembla, en koning-stadhouder Willem III die in de slag aan de Boyne zijn roomse schoonvader voorgoed uit het protestantse Ulster had verdreven.

Of andere figuren en gebeurtenissen?

Dat is bij zulke keuzes vaak het ruziepunt.

Ik denk soms terug aan het Haus der Geschichte aan Unter den Linden, Berlijn, DDR.

In juni 1990 – zes maanden nadat de Muur was gevallen, en de OostDuitsers koortsachtig bezig waren met wat ze umdenken noemde – zat ik in de werkkamer van de directeur. Hij had het door revolutionaire stormen getekende gezicht waaraan je in de 20ste eeuw alle gestaalde communisten meteen herkende. Typische karpatenkop, placht een goede kennis consequent te zeggen als hij er in de verte eentje voorbij zag lopen. Van de vermoeide oogopslag van de directeur kon je aflezen dat het Umdenken hem niet in de kouwe kleren was gaan zitten. Niet alleen z’n eigen toekomst zag er tenslotte somber uit, ook die van het hele museum.

Op eigen gezag had hij, opgegroeid als loyale onderdaan van Grotewohl, Ulbricht en Honecker, de historische afdeling van zijn collectie voor de zekerheid vast gesloten. Wie wilde ooit nog herinnerd worden aan de Sozialistische Einheitspartei, of naar de gouden sigarenknipper kijken die Wilhem Pieck voor z’n verjaardag nog eens van Stalin had gekregen?

„Maar wat moet er dan verder mee?”, vroeg ik.

„Weg”, zei hij. ‘Misschien ergens opslaan in een donkere kelder’.

‘Je kunt de geschiedenis toch niet wissen?’, hield ik hem voor.

„Ach, dat kan best’, zuchtte hij.

En ik maakte me geen illusies. Nog één keer een burgemeester Van Thijn, en morgen wordt het hele Nederlands-Transvaalse verleden geschrapt uit de Amsterdamse straatnomenclatuur, dus uit de geschiedenis.

Wil Plasterk met alle geweld zijn naam verbinden aan een NHM?

Ik heb niet meteen de indruk. Hij heeft niet eens geld gereserveerd voor een museum, en ik heb hem nog met geen woord over een mogelijk concept gehoord.

Ik zal het dus waarschijnlijk niet meer meemaken.

Ik heb twee simpele suggesties. Maak niet één centraal geschiedkundig instituut, want dan heb je inderdaad Mickey Mouse en Donald Duck nodig om er een gezinsuitje van te maken. Decentraliseer de boel. Reconstrueer prehistorisch Nederland in een park bij Havelte (hunebed!), vat de Tachtigjarige Oorlog samen in Den Briel, en beeld het begin van de Bataafse Republiek uit in Harderwijk. Enzovoorts.

En doe het zoals de Amerikanen doen. Laat figuranten in berenvellen in de buurt van Havelte zeven dagen per week hun doden begraven. Zoek in de soapwereld een goedgelijkende Lumey die met zijn geuzen op het Brielse martelveld continu 19 papen uit Gorkum laat martelen en ophangen. En vraag of Pierre Bokma Daendels wil spelen die als Harderwijker patriot voortdurend een paar Oranjeklanten van de Veluwe neersabelt.

Zo verkleint de kloof tussen de burger en zijn verleden.