Denken op dwaalwegen

De vertaling van Nietzsches nagelaten fragmenten is voltooid. Men kan nu zwerven door de grillige notities van de man die zichzelf ‘dynamiet’ noemde.

Friedrich Nietzsche: Nagelaten fragmenten. Vert. Michel van Nieuwstadt en Mark Wildschut. Sun, 4283 blz. in 7 banden. € 139,50; prijs per deel € 38,50

‘De rede doet net als alle slaven: zij veracht vredelievende heren en dient een tiran. Midden in de strijd met hevige hartstochten laat zij ons in de steek; zij verdedigt ons enkel tegen kleine affections.’ Ergens in het voorjaar van 1884 moet Friedrich Nietzsche deze aantekeningen hebben gemaakt. Zorgvuldige tekstbezorgers hebben die woorden ontcijferd in een van de notitieboekjes die Nietzsche op zijn lange wandelingen altijd bij zich had. Wat voor priegelwerk dat geweest moet zijn, maakt een eerste blik op die nagelaten aantekeningen direct duidelijk. Van alles is door elkaar heen gepend, in een priegelhandschrift dat op het eerste gezicht volkomen onleesbaar lijkt. Invallen, plannen voor boeken en ontwerpen voor titelpagina’s worden afgewisseld, onderbroken of zelfs overdekt door reisschema’s en berekeningen (met hoeveel geld dacht Nietzsche nog hoeveel tijd toe te kunnen?).

Het is een wonder dat de Italiaanse Nietzsche-kenners Giorgio Colli en Mazzino Montinari daar ooit orde in konden scheppen. In de jaren zestig en zeventig wisten ze er zeven dikke banden Nachlaß uit te slepen, één meer en bijna allemaal dikker dan de zes delen die in de pocketeditie van hun standaarduitgave de door Nietzsche zelf gepubliceerde boeken bevatten.

Met het verschijnen van het vijfde deel is de Nederlandse vertaling van deze ‘Nagelaten fragmenten’ voltooid. De zeven banden volgen exact de officiële Duitse uitgave, maar geven ook de vertaling van de vele Franse citaten in Nietzsches aantekeningen en die zijn in hun annotatie vaak nog iets uitvoeriger. Zorgvuldig is het specifieke taaleigen en woordgebruik van Nietzsche in het Nederlands omgezet. Alleen een cd-rom, die onlangs wél te vinden was bij de nieuwe Nederlandse Freud-editie, ontbreekt helaas. Met zijn zoekfuncties zou die het gemis van een namen- en zakenregister ruimschoots hebben gecompenseerd.

Muziekdrama

Verder voldoet deze monumentale uitgave in alle opzichten aan de eisen die het filosofische onderzoek daaraan stelt. Hoe vruchtbaar dat kan zijn, bewees de jonge onderzoekster Martine Prange, die bij de presentatie van deze Nederlandse editie nieuw licht wist te werpen op de raadselachtige verhouding tussen Nietzsche en Richard Wagner. Steeds is men ervan uitgegaan dat de eerste als jong hoogleraar antieke filologie geheel in de ban was geraakt van de oudere componist, die een vernieuwing van de hele Duitse (zelfs Europese) cultuur leek te beloven. Nietzsches eerste filosofische boek, De geboorte van de tragedie, is een nauw verhuld propaganda-geschrift voor het Wagneriaanse muziekdrama. En daarvoor zag Nietzsche binnen de Europese cultuur eenzelfde rol weggelegd als de tragedie destijds voor de Griekse cultuur. Wagner leek Nietzsche in zijn zak te hebben.

Maar uit een zorgvuldige lezing van Nietzsches eigen aantekeningen, aldus Prange, komt een heel andere verhouding naar voren. Al van begin af aan spreekt daaruit een terughoudendheid, die alleen uit een aandachtige lezing van Nietzsches toenmalige kunsttheorie valt op te maken. Kleine inconsequenties en aarzelingen daarin brengen tussen de meester en de tovenaarsleerling een veel gecompliceerdere relatie aan het licht – voor wie scherpzinnig genoeg is om die waar te nemen.

Maar niet alleen voor Nietzsche-kenners en -onderzoekers zijn deze nagelaten fragmenten van belang. Wie de filosoof wil volgen op de lange wandelingen waarin zijn gedachten vorm kregen, ziet beter dan in de afgeronde en relatief gepolijste boeken die hij uit deze aantekeningen destilleerde, hoe hij letterlijk zwervend tot zijn ideeën kwam. Hij heeft een inval, leest een boek, komt terug op eerder ingenomen standpunten, spreekt deze of gene, of begint aan de opzet van een brief – die hij niet afmaakt. In de Nachlaß wandelt de lezer méé met Nietzsche, die de filosofische roeping van de mens zelf als een nooit eindigende dwaaltocht zag.

Wie had hij daarbij op het oog? ‘Ik schrijf voor een mensensoort die er nog niet is: voor de „heren der aarde’’,’ tekent hij aan in diezelfde lente van 1884. Gemakkelijk hanteerbaar is Nietzsche nu eenmaal nooit geworden. Ondanks alle interpretaties, academiseringen en pogingen zijn werk ‘tot rede’ te brengen, blijft hij wat hij vóór alles wilde zijn: een gevaarlijke en ongemakkelijke denker, die zich niet laat temmen.

Nietzsche schuurt en trapt tegen iedere welvoeglijkheid aan en daarin weet hij nog altijd te choqueren. ‘Mensen die van giftigheid en jaloezie jegens mensen van zich af willen bijten, prediken welwillendheid jegens de dieren’, zo noteert hij in het begin van 1880, als sprak hij tegen de supporters van een Dierenpartij die laattijdig hun onnozelheid ontdekken. En vóór alles moeten zijn eigen landgenoten het ontgelden: ‘De Duitsers bederven, als laatkomers, de grote gang die de Europese cultuur gaat.’ Zij hebben ‘met hun ‘vrijheidsoorlogen’ alles verknald en de rampspoed van de nationaliteitenwaanzin opgeroepen.’

Erfgoed

Dergelijke uitvallen werden door Nietzsches zuster Elisabeth bij voorkeur niet opgenomen in de selectie die zij uit zijn nagelaten werk samenstelde onder de titel Der Wille zur Macht. Zij was juist overtuigd de Duitse zaak toegedaan – inclusief het antisemitisme en nationalisme dat Nietzsche hartgrondig verfoeide – en daaraan stelde zij diens erfgoed graag ter beschikking.

De verschijning van een tekstkritische uitgave van Nietzsches nagelaten werk vormde dan ook de laatste fase van een denazificeringsproces dat prompt naar de andere zijde doorsloeg. In de gefatsoeneerde Nietzsche die in de jaren vijftig en zestig in nieuwe studies over zijn werk tevoorschijn kwam, zou de man die zichzelf ooit ‘dynamiet’ noemde, zich waarschijnlijk ternauwernood hebben herkend. De laat-moderne samenleving met haar comfort en waardenrelativisme, die hem zo gemakkelijk meende te kunnen absorberen, zou Nietzsche een gruwel zijn geweest. Bijtend beschreef hij deze tevreden humaniteit in zijn boek Zo sprak Zarathustra als ‘de laatste mensen’, die zwelgen in hun eigen geluk met ‘hun lustje voor de dag en hun lustje voor de nacht’.

Ook ons gevoel voor rede is weinig minder dan een slaaf, aldus Nietzsche. Als het er met de hartstochten echt op aankomt, laat ze ons in de steek, zo lezen we in het nu verschenen, vijfde deel van de nalatenschap. Die gedachte is ons niet vreemd meer. Freud kondigt zich er al in aan – en Freudianen zijn we allen, of we willen of niet. Geen mens die nog twijfelt aan een bijna almachtig onderbewuste.

Maar ook dat is een verontrustender vaststelling dan de getemde Freudiaan in ons wil weten. Al zo’n twintig jaar voordat de psychoanalyse ten tonele verscheen, kwam zij naar voren in een filosofie die niet alleen de psyche, maar de hele werkelijkheid uitgeleverd zag aan een tomeloze wilsdrift. Dat sloeg elke grond weg onder de hoop dat de wereld ooit definitief ‘op orde’ te brengen zou zijn. De consequenties van dat inzicht, tekenen zich op iedere bladzijde van Nietzsches werk en nalatenschap af.

Was dat zijn oorspronkelijke inzicht? Ook daarin verliest het denken van Nietzsche zich op oneindige dwaalwegen. Want die hele passage staat bij hem tussen haakjes. Had hij die gedachte op zijn beurt aan iemand ontleend, zijn eigen inzicht bij een ander bevestigd gezien? Die aantekening staat in een lange reeks van citaten die Nietzsche had opgetekend uit het werk van de toen beroemde schrijver Astolphe de Custine. Alleen bij deze ontbreekt in het notenapparaat de verwijzing. Al het speurwerk heeft de oorsprong ervan niet kunnen ophelderen.

De oorspronkelijke Duitse editie van Nietzsches teksten is, inclusief de nagelaten fragmenten en met een schat aan verdere informatie, te vinden op The Nietzsche Channel: www.geocities.com/ thenietzschechannel/. De voordracht van Martine Prange zal binnenkort verschijnen op www.friedrichnietzsche.nl.