De strafbare woorden van de Hofstadgroep

Het proces in hoger beroep tegen de Hofstadgroep heeft niet alleen een juridische maar ook een politieke lading. Het behandelt de kern van de democratie: de ruimte die er is voor radicale opvattingen van militante burgers.

Folkert Jensma

Amsterdam, 11 mei. - Was de Hofstadgroep inderdaad een groep fanatieke zendelingen met een gewelddadig geloof, die terreuraanslagen feitelijk voorbereidde?

Juridisch draait het daar om bij het hoger beroep in het Hofstadproces, dat deze week is begonnen. Maar politiek gaat het over de vraag waar de grenzen liggen bij de vrijheid van godsdienst en meningsuiting. Is het toegestaan boeken te lezen, schrijven en verspreiden, bijeenkomsten te bezoeken of debatten te organiseren waarin wordt opgeroepen de democratie met geweld omver te werpen?

Voor deze activiteiten van de Hofstadgroep, die de rechtbank vorig jaar kwalificeerde als strafbaar opruien, haat zaaien en bedreigen, werden gevangenisstraffen van één tot twee jaar opgelegd. Het Hofstad hoger beroep behandelt dus ook de kern van de democratie: de ruimte die er is voor radicale opvattingen van militante burgers. Wanneer worden opvattingen strafbaar, hoe ver mag je gaan met het bedreigen van een rechtsorde die je fundamenteel afwijst?

Dat fysiek geweld niet mag, wordt door niemand bestreden. Wie zo radicaal is dat hij met een doorgeladen machinepistool rondloopt kan op een gevangenisstraf rekenen: vijf jaar. Hetzelfde gold voor het tweetal dat een handgranaat wierp naar agenten die hen wilden arresteren: veertien en vijftien jaar. Lastiger werd het voor de rechtbank vorig jaar al bij de vaststelling dat de Hofstadgroep elkaar zo het hoofd op hol bracht dat ze zeker feitelijk misdrijven wilden gaan plegen. Had de Hofstadgroep juridisch dat ‘oogmerk’ – waren aanslagen hun ‘naaste doel’? De rechtbank vond van niet. Daarmee ontkwamen de moslimzendelingen aan de nieuwe strafbepaling artikel 140a: vijftien jaar gevangenisstraf voor het deelnemen aan een organisatie die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Ondanks hun computers vol opruiende documenten en beelden, hun gewelddadige propaganda op internet en hun bezoeken aan huiskamerbijeenkomsten met rabiate predikers.

In dit proces zijn de laagst gestraften rechtspolitiek het meest interessant. Zij zijn daders van het strafbare woord: opruiers, haatzaaiers en bedreigers. En alleen hun bedreigingen werden door de rechtbank gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf, waarop maximaal zes jaar staat. De groep had het onderling over het doden van ongelovigen – ‘met het zwaard’ dan wel door ‘martelaren’ – met de bedoeling daar angst mee te zaaien. Alleen op dit punt werden de terrorismeartikelen uit 2004 toepasbaar geoordeeld.

Het Openbaar Ministerie zal in hoger beroep proberen aan te tonen dat het ‘terroristisch oogmerk’ bij de Hofstadgroep een bredere betekenis moet worden toegekend. Aanslagen als onontkoombare consequentie van hun inherent gewelddadige ideologie lagen zeker in het verschiet. Justitie is bezorgd over de periode die aan de aanslag vooraf gaat, de tijd waarin verdachten radicale opvattingen ontwikkelen en uitdragen.

Hoe vroeg mag de politie ingrijpen, is dan de vraag. De rechtbank wil eerst concrete voorbereidingshandelingen zien: afspraken maken, overleggen, uitvoeren. Maar het Openbaar Ministerie vindt het al genoeg als er gedragingen zijn ‘die erop wijzen dat beoogd wordt om in de toekomst misdrijven te plegen die men gerechtvaardigd en zelfs geboden acht’. Het is een subtiel onderscheid, maar wezenlijk voor de vrijheid van de burger. Het gezamenlijk geweld verheerlijken en uitdragen, op basis van een radicaal geloof is voor het Openbaar Ministerie voldoende om aan te nemen dat de groep het ook zal doen.

Waar houdt het denken en praten over geweld juridisch op en verandert het in ‘zeker’ plegen van toekomstig geweld? In de VS bestaat daarvoor de ‘clear and present danger’ test – alleen als er sprake is van een duidelijk en direct gevaar wordt die grens overschreden. Het is de vraag hoe gevaarlijk het Hof de ideologie van de Hofstadgroep zal vinden en wanneer het ‘gedragingen’ aanneemt die een bepaald ‘oogmerk’ verraden. En hoeveel ruimte de militante burger dus zal houden.

Zoals een teleurgestelde advocaat het vorig jaar enigszins overdreven stelde: je mag straks nog wel een radicaal boek lezen, maar als je het aan een ander geeft ben je opeens lid van een terroristische organisatie.

Lees het vonnis van de rechtbank Rotterdam, waar op dit moment in hoger beroep over wordt geoordeeld: www.rechtspraak.nl zaaknummer AV5108

Rectificatie / Gerectificeerd

Het artikel De strafbare woorden van de Hofstadgroep (11 mei, pagina 3) vermeldt dat de twee leden van de Hofstadgroep die een aanslag met een handgranaat pleegden daarvoor veertien en vijftien jaar cel kregen. Dat moet zijn dertien en vijftien jaar. Ook werd abusievelijk vermeld dat de rechtbank op de groep alleen terreurwetgeving toepaste bij het misdrijf bedreiging. De rechtbank oordeelde dat de Hofstadgroep niet alleen als criminele, maar ook als terroristische organisatie kan worden gezien. De leden van de Hofstadgroep zijn daarop veroordeeld omdat hun collectieve bedreigingen werden gezien als met terroristisch oogmerk gedaan. Het ‘strafbare woord’ waarvan sprake was, sloeg dus alleen op het collectieve gebruik ervan.