De nuttelozen leven het langst

De Chinees Zhuang Zi vertoonde een anarchistisch gebrek aan eerbied voor welke autoriteit ook. Met geestige anekdotes, allegorieën en spreuken leverde hij kritiek op de pure rede.

Zhuang Zi: De volledige geschriften.Vertaling Kristofer Schipper. Augustus, 439 blz., €39,90

Patricia de Martelaere: Taoïsme. De weg om niet te volgen. Ambo, 175 blz., €17,95

Het taoïsme blijft een onverminderde aantrekkingskracht op westerlingen uitoefenen. De redenen voor die aanhoudende populariteit zijn duidelijk: het is niet alleen de leer achter geliefde bewegings- en meditatiepraktijken zoals tai chi, maar het biedt ook een aantrekkelijk soort religie. Het taoïsme heeft veel spiritualiteit maar weinig dogma’s; het kent wel leermeesters maar geen kerk; en het bevat wel filosofie maar weinig scholastiek. Dat verklaart ten dele het succes van de nieuwe Nederlandse vertaling van de Zhuang Zi, hoofdwerk uit deze traditie: binnen een maand beleefde die zijn derde druk.

Het boek is vernoemd naar zijn vermoedelijke hoofdauteur, Zhuang Zi (spreek uit Dsjwang Dze), die leefde in de woelige periode van de ‘strijdende staten’ (ca. 500 – 221 v. Chr.). Deze periode kende uiteenlopende filosofische opvattingen: onder deze ‘honderd scholen’ bevonden zich het confucianisme, dat het belang van riten en onderwijs benadrukte en weinig belangstelling had voor kosmologische overwegingen, en het mohisme, dat ethische doctrines motiveerde uit een principe van praktisch maatschappelijk nut.

Zhuang Zi, die volgens de overlevering in een laktuin werkte, verraadt een grondige kennis van andermans filosofische doctrines. Een korte levensschets in de Annalen van de historicus Sima Qian, die niet veel van hem moet hebben, wekt de indruk dat hij briljant was in discussie en debat: ‘Hij was zeer bekwaam in het hanteren van argumenten, het gebruik van analogieën en het karakteriseren van situaties. Deze bekwaamheden gebruikte hij om korte metten te maken met de confucianisten en de mohisten, en zelfs de besten onder de geleerden van zijn tijd wisten niet hoe ze zich aan zijn kritiek konden onttrekken’.

Sporen van die debatcultuur zijn prominent aanwezig in de Zhuang Zi. Het is geen ‘boek’ dat een doorlopend argument opbouwt, maar een losse verzameling anekdotes, allegorieën en spreuken. De tekst valt uiteen in drie delen, die traditioneel worden aangeduid als de innerlijke, de uiterlijke en de gemengde geschriften. De innerlijke delen zijn vermoedelijk door Zhuang Zi zelf uitgesproken of opgeschreven, de uiterlijke door zijn latere volgelingen, en de gemengde geschriften gebruiken materiaal uit diverse scholen en overleveringen.

Jeugdig lezerspubliek

In 1997 publiceerde de sinoloog Kristofer Schipper al een vertaling van de innerlijke geschriften; die wordt op belangrijke punten verbeterd door deze nieuwe, volledige uitgave. Zo heeft Schipper merkbaar meer oog voor het technische filosofische vocabulaire dat Zhuang Zi bij tijd en wijle hanteert; ook heeft hij – mogelijk met het oog op een jeugdig lezerspubliek – eerdere archaïsche uitdrukkingen als ‘het pijpen des hemels’ veranderd in meer hedendaagse termen als ‘de blaasmuziek van de hemel’.

Centraal in dit boek, en algemener in het taoïsme, staat de notie van Tao of ‘Weg’. Dat woord betekent een hoop verschillende dingen: soms duidt het op de methode of manier van doen van een persoon of school, andere keren op een politiek principe van heerschappij, of zelfs op een kosmologisch principe dat de veranderlijke orde van de dingen bestiert. Het is verbonden met de traditionele yin-yangleer, die betoogt dat tegenstellingen zoals mannelijk-vrouwelijk en sterk-zwak elkaar afwisselen en zelfs elkaar voortbrengen. Volgens Zhuang Zi kunnen onze menselijke begrippen en redeneringen geen vat krijgen op deze veranderlijkheid en gesitueerdheid van de dingen. Alles wordt bepaald door standpunt of perspectief: wat ‘dit’ is voor de een, is ‘dat’ voor de ander. Sterker nog, zegt hij, ‘,,de ander” komt voort uit jezelf, ,,jezelf” berust op de ander’. Tegenstellingen brengen elkaar voort, en er is geen onderliggende stabiele orde die aan die veranderlijkheid ontsnapt. Dat is de kern van het beroemde verhaal dat Zhuang Zi bij het ontwaken niet meer wist of hij het was die gedroomd had dat hij een vlinder was, of dat het een vlinder was die droomde Zhuang Zi te zijn.

Deze opwinding over de vermogens en beperkingen van onze menselijke manieren van benoemen en redeneren vind je in vrijwel dezelfde periode bij de Griekse sofisten. Omdat die het vermogen ontdekten om argumenten voor en tegen elke willekeurige positie te geven, concludeerden ze al gauw dat elke redenering in gelijke mate geldig of ongeldig is.

Ook bij Zhuang Zi vind je zulke twijfels; hij probeert echter voorbij relativisme en scepticisme te komen. Hij betreurt het verdwijnen van de overeenstemming van vroeger tijden, en ziet het bestaan van de honderd scholen van zijn tijd als een teken van wanorde en ‘verduistering van de Tao’. Hij beschouwt het bestaan van meningsverschillen dan ook als een gebrek, althans wanneer die vergezeld gaan van de overtuiging van het eigen gelijk.

Om voorbij schijnbare paradoxen en tegenstellingen in debat te komen predikt hij daarom het ‘vasthouden aan het licht.’ Wat hij daarmee bedoelt blijft echter duister. Zhuang Zi’s bedoelingen worden ook niet echt verduidelijkt door Schippers commentaar dat we ‘alles onder het ware licht moeten bezien’: die uitleg smokkelt een notie van waarheid naar binnen die in de Chinese tekst ontbreekt, en praat over ‘zien’ waar Zhuang Zi het eerder over handelen heeft. Maar zulke punten van kritiek doen aan het belang van zijn vertaling niets af.

Algemener projecteert Schipper bij tijd en wijle iets te sterk allerlei latere toevoegingen terug op deze vroege tekst, zoals het streven naar onsterfelijkheid, het vereren van grote taoïstische wijzen als ‘heiligen’, en het beoefenen van diverse vormen van magie. De Zhuang Zi zelf benadrukt juist de grenzen van de menselijke kenvermogens en levensduur; het boek richt zich niet op onsterfelijkheid maar juist op verzoening met de dood in het licht van de onvermijdelijke veranderlijkheid van alle dingen. Ook geven sommige van Schippers vertalingen, zoals ‘de goddelijke mens’ voor shen ren (‘geestelijke mens’) en ‘de heilige mens’ voor sheng ren (‘wijze’) een te eenduidig religieuze nadruk aan Zhuang Zi’s woorden.

Zhuang Zi is evenmin een religieus denker als een filosoof in de academische zin van het woord. Het is integendeel juist zijn anarchistische gebrek aan eerbied voor welke autoriteit dan ook dat een van zijn voornaamste charmes vormt. Confucius wordt met enige regelmaat belachelijk gemaakt, en in latere hoofdstukken wordt Lao Zi, die andere klassieke taoïstische wijze, dikwijls aangeduid als ‘oude langoor’. De verschillen tussen beide taoïsten zijn opmerkelijk: Lao Zi’s Tao Te Jing is onder meer een traktaat over het regeren. De meest succesvolle heerser, staat daar, oefent zo min mogelijk de macht uit, maar beperkt zich juist tot ‘niets doen’ (wu wei): dat bestaat niet uit niksen, maar veeleer uit spontaan handelen zonder voorafgaand doelbewust redeneren. Een vorst die ‘niets doet’ probeert niet het gedrag van zijn onderdanen te sturen of te belemmeren, maar zorgt ervoor dat die uit zichzelf het goede doen. Zo is wu wei ook een inspiratiebron voor het spontane, niet-doelgerichte handelen dat in het zenboeddhisme wordt gepropageerd. Het zou ook een neoliberale politieke filosofie kunnen behelzen, ware het niet dat Lao Zi juist aanbeveelt om zo min mogelijk rijkdommen te verwerven en de bevolking arm en onwetend te houden.

Zhuang Zi daarentegen predikt de volledige terugtrekking uit het openbare leven. Deze houding is door voor- en tegenstanders als anti-politiek en zelfs asociaal gekenmerkt; maar volgens hem is de Tao in de tijd van strijdende staten verloren gegaan en kunnen wijzen niets beters doen dan proberen te overleven. Bij hem zijn niets doen en het vasthouden aan het licht niet simpelweg een romantische verheerlijking van spontaniteit en innerlijk leven: bij hem wordt nutteloosheid tot een overlevingsstrategie. Nuttige bomen, schrijft hij, riskeren te worden gekapt; nuttige vruchten worden geplukt; en nuttige mensen worden maar al te gauw onthoofd. Nutteloze mensen en dieren leven langer en rustiger. Officiële functies heeft hij daarom altijd afgewezen.

Zulke adviezen zijn leuk voor hippies, kunstenaars en literatuurliefhebbers, zo zal al gauw de reactie van hedendaagse beroepsfilosofen en bestuurders zijn; maar hebben ze ook filosofisch belang of praktisch nut?

Apen

Zhuang Zi’s sceptische en anarchistische visie zou vandaag de dag al snel als postmodern of relativistisch worden gebrandmerkt. Maar één van de blijvende kwaliteiten ervan is zijn ongehoord krachtige kritiek op de rol die de rede of het redeneren in het intellectuele leven en in het openbare leven kan en mag spelen. Een andere is dat die kritiek niet wordt geformuleerd in filosofische abstracties maar in concrete, en dikwijls oergeestige, beelden en verhalen. Ook over succesvol heersen doet Zhuang Zi leerzame suggesties, onder meer in een klassieke anekdote over het tevreden houden van apen: ‘Een apenfokker die noten uitdeelde, zei: ,,Jullie krijgen er ’s morgens drie en ’s avonds vier.” De apen waren allemaal woedend. Toen zei hij: ,,Goed, dan maar ’s ochtends vier en ’s avonds drie.” De apen waren allemaal blij.’

De Belgische filosofe Patricia de Martelaere betoogt in een verhelderende recente inleiding op het taoïsme eveneens dat deze stroming ook voor academisch getrainde filosofen interessant en aantrekkelijk is. Haar betoog vergelijkt, enigszins voor de hand liggend, de taoïstische opvattingen dat we over het Tao niet kunnen spreken en dat ons handelen niet door bewustzijnsinhouden wordt gedreven, met de vroege respectievelijk late Wittgenstein. Het vervolg van haar inleiding richt zich minder op zulke vergelijkende vragen, of op het verdedigen van de academisch-filosofische relevantie van het taoïsme, maar vooral op de lichamelijkheid die ze als kenmerkend beschouwt voor deze ‘weg om niet te volgen.’

Enigszins in aansluiting op Schipper verwerpt De Martelaere de invloedrijke lezing die de Zhuang Zi vooral ziet als een reactie op logische en sofistische debatten, en zoekt ze zijn achtergrond in meer lichamelijke praktijken van innerlijke training (nei ye). Ook passages in Tao Te Jing die op het eerste gezicht over heerschappij gaan zijn volgens haar symbolische beschrijvingen van de medische en meditatieve huishouding van het lichaam. Die verinnerlijkte en gedepolitiseerde benadering is niet vrij van historische en tekstuele problemen: in Zhuang Zi’s innerlijke geschriften bijvoorbeeld spelen meditatie en lichamelijkheid nauwelijks een rol. Ze sluit echter wel goed aan op het hedendaagse gebruik dat vandaag de dag van de klassieke taoïstische teksten wordt gemaakt. Filosofen van de Lage Landen, leg Heidegger terzijde en stort u op Zhuang Zi!