De eilandbaron

Tijs Goldschmidt bezocht als gastschrijver van de TU Delft met een groep studenten Insel Hombroich vlak over de grens in Duitsland. Hier schiep bouwmagnaat Karl Heinrich Müller op een idyllisch riviereilandje zijn eigen ‘betere wereld’ waar kunst en natuur in elkaar overlopen. Een ideale omgeving om vaag te denken en te associëren.

Degene die mij ooit vertelde over Insel Hombroich, een verscholen vrijplaats vlak over de Duitse grens, zal ik altijd dankbaar blijven. Insel Hombroich is sinds 1987 een bewaarplaats van duizenden kunstwerken in een idyllische omgeving. Het is een goede plek, van de buitenwereld afgesloten, een uitgestrekte hortus conclusus waarin de bezoeker verschoond blijft van knetterende uitlaten, radio’s, patatwalm of kinderwagens. Op dit eiland word je uitgenodigd architectuur, kunst en ‘natuur’ op een gelijkwaardige manier te ervaren.

Het museumeiland is een initiatief van de bouwmagnaat Karl Heinrich Müller, die sinds het begin van de jaren zestig als een bezetene kunst heeft verzameld: moderne en klassieke westerse kunst, maar ook Afrikaanse, Oceanische en Aziatische beelden en rituele voorwerpen. Kunst afkomstig uit uiteenlopende culturele contexten, waarvan je vermoedt dat ze uitsluitend op grond van de persoonlijke voorkeuren van Müller bij elkaar is gebracht.

Tegen het eind van de jaren zeventig was de verzameling zo sterk uitgedijd dat hij de duizenden kunstwerken niet meer kwijt kon in zijn eigen huizen. In 1982 kocht hij Insel Hombroich, dat voornamelijk bestond uit verwaarloosd maïsland. Het terrein had meer weg van een vuilnisbelt dan van zijn utopie, al bevond zich er ook een park met daarin een onbewoonde villa van omstreeks 1820 die, na restauratie, door hem werd betrokken. Deze puingruwel besloot Müller, of de eilandbaron, zoals ik hem besloot te noemen om te toveren tot zijn moerasmuseum. Müller trok geestverwanten aan met expertise op vele terreinen, zoals de filosofisch ingestelde landschapsarchitect, botanicus en ex-antiekhandelaar Bernhard Korte en bevriende beeldend kunstenaars als Gotthard Graubner en Erwin Heerich. Die laatste vroeg hij om paviljoens te ontwerpen waarin de collectie optimaal tot zijn recht zou komen. De eilandbaron verwachtte kennelijk dat een beeldhouwer beter dan een architect in staat zou zijn de brug te slaan tussen kunst en natuur. Het zouden uiteindelijk elf paviljoens worden die, rekening houdend met de geschiedenis van het landschap, over het hele gebied werden verspreid.

Na bij de entree een kaartje

te hebben gekocht dat niet alleen toegang biedt tot het museum, maar ook recht geeft op een lunch die is samengesteld uit biologisch-dynamisch verbouwde groenten, granen en vruchten, daal je op weg naar de paviljoens af in de wereld van de eilandbaron.

Een van de opwindendste en rijkst gevulde paviljoens is een groot vierkant gebouw dat het Labyrinth wordt genoemd. Het werd, op last van natuurbeschermers, door een geschoren haag omringd om het zo onzichtbaar mogelijk te maken. Wie het eenmaal heeft gevonden, raakt vervolgens makkelijk de weg kwijt in de wirwar van zalen en zaaltjes met blinde muren. Het lukte me niet me te oriënteren op het van boven invallende licht. Ik voelde me losgeweekt worden uit het leven van alledag, en zo werden de voorwaarden om flink vaag te gaan denken en associëren steeds gunstiger. Terwijl dat door me heen schoot, werd ik en passant opgetild door de aanblik van een gemoedsverheffend stilleven van Jean Fautrier, en even later door een assemblage van Kurt Schwitters. Nadat ik me had omgedraaid, viel mijn blik op een vrouwelijk houten lichaamsmasker van de Nago uit Dahomey. Donkerrode stippen op de zwangere bruine buik en daaronder haar geprononceerde geslacht.

Met de afgewogen inrichting van het Labyrinth heeft vooral de schilder Gotthard Graubner zich bemoeid, wiens eigen werk in de centrale zaal ook ruim is vertegenwoordigd. Hij was het die een grijsgroen getinte assemblage van Schwitters verrassend achter een reeks dertiende-eeuwse Khmerbeelden plaatste, vrouwenfiguren waarvan de koppen ontbreken. De kunstwerken versterkten elkaar, de swingende tors van een tempeldanseres in grijze steen vond moeiteloos zijn vervolg in de ogenschijnlijk met groot gemak vervaardigde Schwitters. Ik voelde me opgetogen en tegelijk stil worden terwijl mijn blik heen en weer ging van de torsen naar de assemblage en weer terug. Een perfecte opstelling.

De beschilderde houten reliëfs van Jean Arp aan de witte muren stonden nog op mijn netvlies toen er in een vitrine tweeduizend jaar oude bronzen dierfiguren van de Amlasch uit Luristan opdoemden. Stuk voor stuk een lust voor het oog door hun verassende schematiseringen en abstraheringen.

Om uit te vinden waar die dierfiguren vandaan kwamen, moest ik wel enige moeite doen, want informatieve bordjes bij de kunstwerken ontbreken. Zelf kijken en eventueel verwoorden wat je ziet, daartoe wordt de bezoeker door de eilandbaron uitgenodigd. Bordjes met kunsthistorische of educatieve teksten zouden de bezoeker maar verleiden om vluchtig te controleren wat daarop beschreven wordt en het werk verder voor gezien te houden.

Het leek mij ook voor de studenten die mee waren op deze excursie inspirerend om niet van allerlei voorgekauwd te krijgen. Toen ik als bioloog voor de Leidse universiteit naar Afrika vertrok, verbood mijn begeleider me te lezen over het onderwerp waarmee ik me zou gaan bezighouden. Het was de bedoeling vooral zelf te gaan kijken, te denken en nieuwe verbanden te zien. Op Hombroich, waar je wordt teruggeworpen op eigen indrukken, bleek dat te werken. Een van de studenten, die toegaf voorlopig meer geïnteresseerd te zijn in mensen dan in kunst, ervoer hoe hij via een omweg onvoorzien oog kreeg voor een spleettrom uit de Nieuwe Hebriden. Dat gebeurde toen de trom een jongetje, met zijn ouders een dagje uit, in tranen deed uitbarsten. De student keek met het jongetje mee en zag dat hij was geschrokken van de expressieve kop met grimmige gelaatsuitdrukking boven op de trom. Het was de emotionele reactie geweest die zijn eigen blik voor de trom ontvankelijk had gemaakt. Een jongetje in plaats van een bordje. En dat was waarop ik had gehoopt: dat studenten, voorzover ze dat niet al deden, hun eigen begin zouden maken met kijken naar deze dingen. Behalve werken van gerenommeerde kunstenaars kocht de eilandbaron namelijk ook een flink aantal mindere werken, vooral van vrienden. Een van de studenten raakte in verwarring toen hij hoorde dat ik niks zag in een werk waar hij juist waardering voor had. Hij maakte Müller, maar ook mij als initiatiefnemer van deze dag, vriendelijk grijnzend het verwijt dat hij geen kwaliteitscriteria aangereikt had gekregen.

Ik verdedigde de eilandbaron

door erop te wijzen dat er ook iets voor te zeggen is dat op Hombroich alle werken gelijkwaardig worden gepresenteerd. Het mag dan een allegaartje zijn, met schitterende hoogte- en foeilelijke dieptepunten, maar de canon, of een andere hiërarchische indeling, wordt de bezoeker niet opgedrongen. Je mag hier je eigen weg vinden, niets is verplicht. De student zei vriendelijk grijnzend dat te hebben ervaren als een ultieme vorm van betutteling. Hem was informatie waaraan hij behoefte had, welbewust onthouden.

Behalve de paviljoens waarin de collectie is opgesteld, zijn er ook verschillende gebouwen speciaal ontworpen om een bepaald zintuig te prikkelen. Een ervan zou je kunnen beschouwen als een tempel voor het licht, een voorwerploze kapel. Je wordt getroffen door de manier waarop het naar binnen valt. Een ander paviljoen is gewijd aan de optimale perceptie van geluid. Het is haast onmogelijk om in dit akoestisch geraffineerd ontworpen gebouw niet te gaan zingen of galmen. Vaag denken wordt niet alleen in de hand gewerkt door het ontbreken van een hiërarchische ordening in de verzameling, waarin autonome, tribale, prehistorische en westerse toegepaste kunst op hetzelfde plan staan, maar ook door de hoeveelheid aandacht die licht en geluid kregen toebedeeld.

Het restaurant zou je kunnen opvatten als het paviljoen voor de smaak, maar wat nog miste was een paviljoen voor de tastzin. Een mens moet kunnen voelen en strelen. Dat kan in het moerasmuseum. Het zal officieel zeker verboden zijn een beeld te strelen, maar de kans dat het onopgemerkt blijft als je het toch doet, is groot. Er lopen nog altijd geen suppoosten rond, want geheel in de geest van Müller moet dit een eiland van vertrouwen zijn. Ik maakte van Müllers vertrouwen mild misbruik en heb, toen ik de weg even kwijt was, mijn hand gelegd op de slurf van een grote stenen Ganesha. En dat terwijl ik terdege besefte dat als een miljard mensen dat zouden doen, deze Ganesha geen slurf meer over zou hebben. Hoe miniem dat effect ook is, zo’n beroering heeft voor een beeld definitiever gevolgen dan voor een mensenhuid, die zich voortdurend vernieuwt. De eilandbaron is daar laconiek over en schijnt erin te berusten dat een schilderij, beeld of danskostuum net zomin als een mens of dier het eeuwige leven heeft. Daarom bepaalde hij ook dat bij goed weer de deuren van de paviljoens open mogen. En net zoals hij het zou afkeuren dat mensen die ouder worden hun rimpels vol botox laten spuiten, vindt hij het onzin een schilderij dat achteruitgaat te restaureren. Het is een krankzinnige opvatting, al is het zeker aangenaam voor de bezoekers op mooie dagen niet te zijn opgesloten in een bedompte museumruimte. Bladeren waaien ongehinderd naar binnen, en af en toe rent er een veldmuis, maze bright, van de ene naar de andere drempelloze deuropening. Insel Hombroich is het enige museum waar ik samen met een verdoolde pad bij een vitrine met antiek Chinees glas heb gestaan.

Toen ik het Labyrinth verliet en verder liep, scheerde vlak boven de rivier een iriserend blauwe ijsvogel. Even later vond dit blauw zijn vervolg in de nog intensere monochroom blauwe werken van Yves Klein die bij elkaar hingen in een prachtig, geheel aan zijn werk gewijd zaaltje. En ik besefte ineens wat Müller beoogd moet hebben: natuur en kunst kunnen inderdaad op talloze onverwachte manieren een verbinding aangaan via jouw brein, bijvoorbeeld door een toegenomen gevoeligheid voor blauw. Zo’n verband leggen is vaag denken op zijn best. Nadat ik mijn eerste rondje over het eiland had gemaakt, was me duidelijk geworden dat de eilandbaron er alles aan heeft gedaan om zijn utopie te verwezenlijken. De speciaal met het oog daarop ontworpen paviljoens van Heerich zijn heel geschikt voor deze omgeving. Ze zijn opgetrokken uit hergebruikt baksteen, hout en ijzer en hebben vloeren van marmer of basalt. Op modernisten pur sang schijnt deze architectuur een verdachte indruk te maken, maar mij bevielen die paviljoens juist.

Ook de manier waarop het landschap

werd herschapen en oude beek- en rivierlopen werden hersteld, trof me. Een zijtak van het riviertje de Erft stroomt tegenwoordig weer door het lage gedeelte van het terrein. Door middel van pollenonderzoek werd uitgevonden welke planten oorspronkelijk op het eiland groeiden, en er werd vervolgens moeite gedaan om zoveel mogelijk van die inheemse planten, aangevuld met exotische soorten, een plek in het landschap te geven. Oorspronkelijk streng geschoren buxushagen die, doordat zij lange tijd aan hun lot waren overgelaten, Arp-achtige vormen hadden aangenomen, werden zo gelaten. Ze konden in die vorm kruisbestuivend werken tussen kunst en natuur. Zo degelijk vaag denken vast alleen Duitsers.

Karl Heinrich Müller gunde het zichzelf en wie hier komt van agressie, concurrentie en sociale hiërarchie verschoond te blijven voor de duur van een bezoek. Op Insel Hombroich is nauwelijks plaats voor wat de eilandbaron in een artikel ooit ‘mannelijkheid’ noemde. Die associeerde hij met geweld en daarvan had hij een afkeer. En als je niet uitkijkt springt de eilandbacil over en heb je je opgeworpen als handlanger. Dat overkwam me toen ik op weg van het aan Heerichs beelden gewijde paviljoen in een euforische stemming verder slenterde. Iets naast het grindpad in het gras waren twee glanzend zwarte merelmannetjes, vleugelmeppend, verwikkeld in een gevecht op de grens van hun respectieve territoria. „Niet vechten jongens”, zei ik in de geest van de baron, „hier is plaats voor iedereen.”

Het moerasmuseum is een illusie, een zinsbegoocheling. En voor het eerst kreeg ik ook vragen bij deze hele onderneming en werd ik er benieuwd hoe Müller in de boze buitenwereld eigenlijk zijn mannetje had gestaan – want dat moet toch wel als je in korte tijd zo schatrijk wordt. Hoe vaag dacht de eilandbaron eigenlijk toen hij nog een keiharde zakenman was, of leerde hij soms vaag denken door kunst te verzamelen?

Alle zintuigen werden

in zoveel mogelijk registers geprikkeld. De geur van vers gras, de warmte van de zon, het gekwetter van een groepje wit-met-roze staartmezen, naast de aanblik van zoveel schitterende kunst, maakte dat ik anders ging kijken: plat op hun buik op het melkwitte glazen dak van een paviljoen lagen twee werklieden in zwarte overalls. Tussen hen in bevonden zich een ladder, een hamer en een schroevendraaier. Omkaderd door de houten balken en de stalen frames waarin het glas was gevat, lagen die werklieden en hun attributen, naar mijn gevoel, precies in de juiste verhouding tot elkaar gerangschikt. Ze veranderden in een tweedimensionaal beeld dat bestond uit donkere silhouetten.

Een van de indrukwekkendste paviljoens is gewijd aan de reusachtige stenen koppen van elfde-eeuwse tempelwachters uit Cambodja. Zij werden vermoedelijk in de jaren zeventig door aanhangers van de Rode Khmer afgeslagen van de lichamen, die in Cambodja achterbleven. Ook zij kregen een door Heerich ontworpen paviljoen, waarvan de voorzijde uit een glazen wand bestaat. Daar kijken ze vanaf hun bijna menshoge sokkels op uit. Na oog in oog te hebben gestaan met een van de koppen, draaide ik me om en keek met het hoofd mee naar buiten. Een vredig uitzicht op stromend water met daarachter een bosschage. De eilandbaron bezorgde deze beeldfragmenten, alsof het eerder levende wezens waren geweest, een voorlopige rustplaats.

De kern van de collectie wordt gevormd door assemblages van Kurt Schwitters, reliëfs van Jean Arp, schilderijen van Bart van der Leck en andere modernisten. Denkend over Müllers voorkeur voor dadaïsten en kunstenaars van De Stijl vroeg ik me af wat de oorzaak daarvan zou kunnen zijn. Zou het kunnen dat de eilandbaron, misschien onbewust, veel eigentijdse kunst uit zijn collectie verving door werk van vroege modernisten omdat die nog wel écht geloofden dat kunst de wereld kon veranderen? Kunstenaars konden na de Tweede Wereldoorlog onmogelijk vol goede moed opnieuw beginnen zoals de modernisten na de Eerste Wereldoorlog hadden gedaan, en misschien geldt hetzelfde voor een utopistische verzamelaar. Wat die laatste nog wel kon doen, was zich verschansen op een verborgen eiland en daar zelf ‘een betere wereld’ bouwen, egalitair, zonder concurrentie of geweld.

Als daar iets van waar is, wordt wellicht ook duidelijk waarom hij dat werk van vroege modernisten op primitivistische wijze combineerde met Afrikaanse, Oceanische, Zuid-Amerikaanse en Australische tribale kunst. Want ook deze voorwerpen en beelden werden gemaakt door mensen die misschien niet zozeer in een betere wereld geloofden, maar wel in de noodzakelijke aanwezigheid van hun beelden en idolen om kwade geesten te bezweren, vruchtbaarheid te bevorderen, of schaars water op te sporen. Misschien heeft de eilandbaron het intuïtief goed aangevoeld. Misschien is er geen betere manier dan je eigen collectie, zo niet het hele eiland, op te laden met werk van vroege modernisten en tribale kunstenaars.

Ik ben geneigd dit eiland in zijn geheel ook als een soort kunstwerk te beschouwen, zozeer voelt het als een persoonlijk vormgegeven gebied. Je kunt nog verder gaan en Insel Hombroich opvatten als een zelfportret van Müller. Een utopist die niet alleen geloofde dat kunst de wereld kan verbeteren, maar ook een plek heeft gemaakt waar dat is gebeurd. Kunstmatig natuurlijk, maar het werkt echt.

Stiftung Insel Hombroich, Neuss, Holzheim. Dag. 10-19 u (tot 30 sept), 10-18 u (in okt.) en 10-17 u (1 nov. t/m 31 maart). Inl. www.inselhombroich.de