Chinese tomaat bloeit in Oeral

Het leeglopende Siberische platteland kan Chinese arbeiders goed gebruiken.

Maar veel Russen vinden het Chinese succes te groot en vrezen ‘het gele gevaar’.

Op de Chinese kolchoze van Ajatskoje is zwijgen goud. In stilte vlecht men manden, zeeft men aarde, bouwt men kassen. De Russische zomer is kort, de Chinese werkdag lang. En Chinezen praten alleen als dat mag. „Geen drank, keihard en gedisciplineerd werken: stalinistische stootarbeiders zijn het,” bast voorman Valeri.

De inwoners van het desolate dorp Ajatskoje in de Oeralregio keken vreemd op toen vorig jaar de Chinezen kwamen. Ze kenden Chinese handelaars in plastic en textiel op de containermarkt van Jekaterinenburg. Maar boeren? Het waren er slechts veertien, susten de bazen. Rayonhoofd Topopkov sloeg aan het spioneren. „Hun werk vorderde zo snel, ik dacht dat ze er in het geniep vijftig hadden gehaald.” Hij telde de koppen: toch echt veertien. „Later snapte ik het. Hoe vroeg ik ook opstond, zes uur, vijf uur ’s ochtends: de Chinezen waren aan het werk.”

De angst is nu weg, want de Chinezen werken, drinken niet, blijven in hun kamp. „Wij hebben ook geen problemen met de Russen, ze stelen niets van ons”, zegt de Chinese voorvrouw Meng Dani. Zij ronselt seizoensarbeiders uit het overbevolkte Heilongjiang, waar elke meter grond telt. Voorman Valeri: „Boeren volgen je daar met een schepje als je ergens je behoefte doet.”

De Chinese kolonie in Ajatskoje is een succes. Het eerste seizoen was kort, nat en koud, de onervaren Chinezen maakten blunders. Ze zaaiden aubergines in, geen goed idee in Siberië. Hun komkommers bleken te lang voor Russische weckflessen. En Russen bliefden geen Chinese kool. Maar de aardappelen, uien, tomaten, peterselie en prei vonden in de herfst hun weg naar de markten. Vooral de prachtige tomaten verbaasden Ajatskoje: de dorpelingen was het nooit gelukt ze hier te verbouwen.

In het tweede seizoen keerden twintig Chinezen terug; na drie weken werk staan er al tien grote kassen op hun nieuwe areaal van veertig hectare. Meer land krijgen ze niet, zegt landeigenaar Vladimir Sjirajev. Want niet het dorp, maar de staat is nu bang voor de Chinezen. En misschien hebben ze gelijk, zucht hij. Je weet hoe dat gaat: één Chinees worden tien Chinezen, tien worden er honderd, honderd worden er duizend.

Hoe begon het? Sjirajev, een elegant geklede vijftiger uit Ajatskoje, verdiende als rechter, jurist en zakenman in Sint Petersburg een klein fortuin. In 2000 kocht hij de failliete sovchoze (collectieve boerderij die volledig eigendom is van de staat) in zijn oude dorp: 2.000 hectare grond met een optie op nog eens 2.000. Voor nieuwe Russen is land een gewild speculatieobject: vijftig miljoen hectare landbouwgrond ligt braak of mist een eigenaar. De waarde kan slechts toenemen, zeker nu landbouw tot ‘nationaal project’ is uitgeroepen.

Sjirajev wilde niet slechts speculeren, maar ook zijn oude dorp uit het slop trekken. Dat viel niet mee. Ajatskoje had tot 1994 een grote zuivel- en vleessovchoze met 2.000 koeien en duizend werknemers. De gesubsidieerde Europese melkpoeder deed de sovchoze de das om, zegt Sjirajev. Dus volgde Ajatskoje het deprimerende plattelandsrefrein. De sovchoze ging failliet, de bazen stalen de apparatuur, de boeren slachtten de koeien, de zatlappen stripten het metaal, de jeugd trok naar de grote stad, de gepensioneerden bleven achter en de dennenbossen rukten op.

Nu heeft Sjirajev weer 200 koeien, maar daarmee is Ajatskoje niet uit de negatieve spiraal. Voor mechanisatie ontbreekt het geld, voor verdubbeling van het maandloon eveneens. En alleen daarmee kan Sjirajev de weinige harde werkers in het dorp houden. „Nu krijg ik dronkelappen. Van mijn eerste werkploeg lag de helft ’s ochtends zijn roes uit te slapen.”

Er moest wel iets gebeuren, wilde zijn landbouwgrond niet geheel verwilderen. Sjirajev sprak met Russen. „Dat bleef bij geklets.” Toen kwamen de Chinezen in beeld. Een Chinese zakenman van de containermarkt deed een bod op de helft van sovchoze Ajatskoje. Sjirajev verkocht hem 40 procent, maar de Chinees werd vermoord. Zijn bedrijf, Universal Trading, stelde een andere constructie voor. Sjirajev verpachtte goedkoop grond aan de Chinezen en leverde kunstmest en apparatuur, Universal Trading zou de producten verkopen.

Na het eerste seizoen was de lokale landbouwchef van Jekaterinenburg, Sergej Tsjemezov, helemaal om. Chinese seizoensarbeiders zouden het probleem van het braakliggende land in de Oeral oplossen, orakelde hij. De import van graan zou spoedig verleden tijd zijn. Nu wil Tsjemezov er niet langer over praten, en erkent Sjirajev dat hij de Chinese ambities moest intomen. „Ze wilden dit jaar graag 200 hectare pachten en 400 man aan het werk zetten. Dat gaat dus niet door.”

Want ondanks, of juist dankzij, het succes keert de opinie zich tegen het Chinese experiment. De Russische fanfare over de toenadering tot China kan de diepere angst voor het ‘gele gevaar’ namelijk niet maskeren. Rusland slinkt jaarlijks met een half miljoen zielen terwijl China zijn noorderbuur op elk terrein inhaalt en overvleugelt. Hoewel het angstvisioen ouder is. „De Chinezen zijn talrijker dan vliegen. Ooit nemen ze onze Amoer-regio over”, schreef Anton Tsjechov ruim een eeuw geleden.

Dus kijken de Russen bezorgd naar de voet die China al tussen talloze deuren heeft in Siberië: handelscontacten, universiteiten die op Chinese onderzoeksopdrachten draaien. Siberische bestuurders zuiverden in januari met groot enthousiasme de Chinese markten toen Rusland buitenlanders verbood er nog langer te werken.

In Nizjni Novgorod leidde een krantenartikel over Chinese boeren die zich in verlaten dorpen zouden vestigen tot straatprotest. Op de televisie werd in vileine reportages de ‘mythe van de hardwerkende, niet drinkende Chinees’ ontkracht: het zouden primitieve gauwdieven zijn.

Landeigenaar Sjirajev beklemtoont nu dat zijn Chinese kolchoze (collectieve boerderij die eigendom is van de boeren) tijdelijk is, tot hij iets beters heeft verzonnen. Werkvergunningen krijgt hij toch niet: de regio Jekaterinenburg verstrekt er dit jaar slechts 6.000. Sjirajev: „En dan moeten mijn Chinezen natuurlijk wijken voor Tadzjieken die de villa’s van onze bureaucraten bouwen.” Zijn nieuwe visie: rogge en rapen. „Raapolie als brandstof, dat heeft toekomst.”

Maar voorman Valeri erkent dat ze eigenlijk veel meer Chinezen willen uitnodigen. „Alleen zij kunnen dit dorp reanimeren.” Want het blijft zonde, vindt de Chinese Meng Dani. „Zo weinig Russen, zo veel land.”