Ben ik wel Braziliaans genoeg?

Vroeger waren het de intellectuelen die de massa leidden, nu is het andersom: terwijl Nederlandse denkers zich manmoedig vastklampen aan klassieke filosofen en geen zin kunnen schrijven zonder er Voltaire, Kant, Mill of Karel van het Reve bij te halen, trekt de massacultuur zich niets aan van de huidige cultuurkamp of botsing der opinies en dendert onaangedaan voort. Amateurdansen, amateurschaatsen, amateurzingen, amateurkoken, allemaal met ‘sterren’, afvallen, metamorfoses, verbouwen, pornoparty’s, tienerorgies en eindeloze saga’s over de adoptieperikelen van Angelina of de afkickpogingen van Britney – tegen zoveel wezenloosheid kan geen wereldbeeld op.

Nog niet zo lang geleden spanden docenten aan de universiteit zich in om de kloof tussen ‘hoog’ en ‘laag’ te dichten. Dat deden ze door in de populaire cultuur tal van onvermoede betekenissen te ontdekken; eigenlijk was die zogenaamde lage cultuur ook heel hoog. Vol cultureel optimisme werden de clips van Madonna postfeministisch geduid. Wie goed keek, zag dat het maatschappelijk belang van soaps groter was dan welke politieke beweging dan ook. Reality-tv als Big Brother en De Bus verdienden meer dan serieuze aandacht, er stonden zelfs kleine goeroes op die bij ieder nieuw ideetje van John de Mol jr. een nieuw tijdperk in de westerse cultuur aankondigden.

Vergis ik me, of zijn die stemmen verstomd? Hier en daar vinden nog wel hoogculturele avondjes plaats waarop de lofzang van de ‘lage’ cultuur wordt bezongen, maar die doen in opzet en uitwerking ineens nogal ouderwets aan: een beetje dwepen met de The Bold and the Beautiful, roepen dat de ‘hoge’ cultuur een elitaire samenzwering is tegen het volk, bitsen dat ook de elite best wel modegevoelig is – allemaal provocaties die allang niet meer provocerend zijn.

Terugkijkend heeft die dweperij in universitaire kringen met de populaire cultuur iets aandoenlijks – men bekeek de lage cultuur stug door de bril van de hoge cultuur. De populaire cultuur liet zich het graag aanleunen, televisiemakers ontvingen wat graag onhandige academici in hun ramsjprogramma’s om te horen dat de makers van het nieuwste commerciële reality- programma eigenlijk belangrijke cultuurdragers waren.

Die academische dwepers leden vooral aan wat ik maar ideologische zelfhaat zal noemen: de hartstochtelijke neiging om diep te buigen voor wat je zelf nooit zult kunnen zijn. Zoals linkse intellectuelen vroeger graag met de mystieke aardsheid en eenvoud van arbeiders dweepten, zo hebben de academici van de populaire cultuur een diep ontzag voor sterren, omdat die op een bijna achteloze manier zijn wat zijzelf pijnlijk zichtbaar niet zijn: mooi en beroemd. Een nieuwe, trieste variant op die zelfhaat heeft zich onlangs aangediend: hippe veertigers die zichzelf jong willen voelen door met kinderen van dertien te dwepen, die weliswaar een aandachtsspanne van drie seconden hebben maar veel sneller met computers kunnen omgaan dan wij en daarom tot de generatie Einstein zijn uitgeroepen – ook al hebben ze geen idee wie Einstein is.

Arbeiders, sterren, kinderen – het zijn allemaal romantische projecties. Stuk voor stuk gaat het om moderne incarnaties van de aloude edele wilde, het menselijke wezen dat een natuurlijke, zalig onbewuste relatie met zijn omgeving onderhoudt. Dat dwepen met onbewust- en natuurlijkheid is een typisch intellectuele ziekte. Wie voortdurend nadenkt over zijn plaats in de wereld, ontwikkelt óf een cultuurpessimistisch dedain voor alles wat massaal onnadenkend is – het carnaval, de orgie – óf gaat er juist hartstochtelijk naar verlangen. Een typisch voorbeeld is de jonge Italiaanse socioloog en essayist Giuliano da Empoli. Hij schreef een interessante beschouwing over de dynamiek van de huidige massacultuur die niettemin getekend wordt door precies die ambivalentie. Het boekje heet Fuori controllo (out of control, dus) en stelt dat de toekomst van onze cultuur Braziliaans is.

Braziliaans? Net als in Brazilië, stelt Da Empoli, leven ook wij steeds meer in het moment. Het verleden doet er niet meer toe en we zijn bang voor de toekomst. Aan de ene kant is er het permanente, dwangmatige hedonisme van de eet- en lichaamscultuur, het dwepen met beroemdheid, de verslaving aan bijgeloof, de alomtegenwoordige obsessie met seks, het gezien willen worden ten koste van alles – aan de andere kant is er de angst, voor onvoorspelbaar geweld, klakkeloze aanvallen en imaginaire vijanden; want zoals Angelina en Britney heel dicht bij ons lijken te staan, zo voelen we ons ook angstig vertrouwd met de terroristen en ontsnapte tbs’ers die we alleen van horen zeggen kennen.

De verklaring van Da Empoli voor dat massale hedonisme hinkt op verschillende gedachten tegelijk. Allereerst is er niets onder de zon: de mensheid heeft zich altijd overgegeven aan zuipen en neuken, alleen zag je dat vroeger niet en is er in de huidige massacultuur sprake van schaalvergroting en democratisering – iedereen mag meedoen. Ten tweede is de loze spektakelcultuur een legitieme uiting van een verlangen naar het collectief beleven, dat geen plaats meer heeft in de religieuze of politieke rituelen. De derde verklaring die hij geeft, is escapisme: wanneer in een Middeleeuws huis de pest huishield, ging het er in het huis daarnaast vaak liederlijk aan toe – geilheid uit wanhoop. De driftig gezochte verdwazing is niets anders dan een poging je af te sluiten voor de grote, boze buitenwereld. Het moet nergens over gaan. De moderne hedonist is voor Da Empoli als het gezelschap in Boccaccio’s Decamerone, dat aan de pest in Florence ontsnapt en elkaar in een buitenhuis smeuïge verhalen vertelt over liefde, seks en alles wat verder nog menselijk is. Aan het einde van het boek, wanneer de pest verdwenen is, pakt men zijn spullen bij elkaar en gaat terug naar de orde van alledag.

We moeten zorgen dat ook de moderne, op drift geraakte hedonist weer terugkeert naar zijn plek, zegt Da Empoli, maar op hetzelfde moment lijkt hij te schrikken van zoveel klassieke cultuurkritiek en begint hij te schamperen over bebrilde intellectuelen die maar blijven neerkijken op het gewone volk – alleen als zij die ‘cultuur van het genot’ serieus nemen, kunnen ze ontsnappen aan het getto waartoe ze zichzelf veroordeeld hebben.

Op dat moment is het niet meer duidelijk wat Da Empoli wil – moeten de verweesde hedonisten in de massacultuur terug naar de realiteit gebracht worden of moeten de intellectuelen uit hun benarde veste ontsnappen en zich overgeven aan de sterrencultus en de televisiedwang? Onwillekeurig legt hij in zijn betoog de crisis in de cultuurkritiek zelf bloot: het oude cultuurpessimisme is mechanisch en sleets geworden, en heeft bovendien iedere noemenswaardige invloed verloren: het zal Geer en Goor worst wezen. Aan de andere kant: klakkeloze omarming van de massacultuur vereist een doelbewuste wezenloosheid die iedere cultuur onmogelijk maakt.

Dus wat wordt het: Baudrillard of Britney?