‘We spelen alleen de nationale kaart’

Sinds Europa volgens Nederland ‘af’ is, blinkt het beleid uit door gebrek aan ambitie, stelt historicus Harryvan in zijn dissertatie. „Nederland moet weten wat het met Europa wil.”

De Europese Unie heeft kleine landen zoals Nederland in Europa een overmatige machtsbasis gegeven. Daardoor kon Nederland zich tot een gangmaker van Europees beleid ontwikkelen. Dat is de kern van een studie, die de Groningse historicus Anjo Harryvan, docent internationale betrekkingen, verrichtte naar het Nederlandse Europabeleid in de beginperiode van de Europese Economische Gemeenschap (1952 tot 1973). „De EU werd niet als bedreiging gezien, maar het heeft Nederland als nationale staat juist versterkt. Dat lijkt nu moeilijk voorstelbaar. De situatie is helemaal omgeslagen vergeleken met de jaren vijftig en zestig’’, zegt Harryvan op zijn werkkamer op de universiteit in Groningen.

Wanneer is de Nederlandse Europapolitiek ‘omgeslagen’?

„Tien jaar geleden toen de Europese politieke leiders het Verdrag van Amsterdam sloten. In de visie van Den Haag was Europa daarmee grotendeels ‘af’. De gemeenschappelijke markt was bijna voltooid. De economische en monetaire unie kwam in zicht. Er zijn nog wel enkele dingen die geregeld moeten worden zoals het vrije verkeer van diensten – banken, architecten, advocaten noem maar op. Maar Europa als constructie om Nederlandse belangen te dienen was klaar. Sindsdien blinkt het beleid uit door gebrek aan ambitie.’’

De drijfveer van Nederland achter Europese integratie was toch niet louter een economische?

„De ene na de andere regering was er sinds de late jaren veertig van overtuigd, dat de toekomst van Nederland lag in de economische ontwapening van een hoogst protectionistische Europese handelsomgeving. We raakten Indië kwijt. Ons economische achterland Duitsland lag in puin. We hadden ambitieuze industrialisatieplannen. Om economisch te overleven had Nederland ontwikkelde markten nodig in Europa. Het was alleen heel moeilijk om op andermans markten terecht te komen, omdat het protectionisme hoogtij vierde. Zeker in de landbouw. De drive van de politieke elite om na de Tweede Wereldoorlog tot een economische gemeenschap te komen was welbegrepen eigenbelang, geen federalistisch ideaal van één politiek Europa. We wilden onze kaas en tulpenbollen kwijt.’’

Toch was Nederland in de jaren zestig en zeventig in de ban van Europees idealisme.

„Klopt. Zeker in die tijd zat een federalistische meerderheid van het parlement minister Luns van Buitenlandse Zaken behoorlijk achter de broek. Zijn opvolger Schmelzer was een federalist. Hij was ervan overtuigd dat Nederland over dertig jaar in een Europese federatie zou opgaan en de positie van een Bundesland in Duitsland zou krijgen. Maar hij was een uitzondering. Net als Van Mierlo later, die wilde gaan experimenteren met meerderheidsbesluitvorming bij justitie en buitenlands beleid. Daar voelde de Nederlandse regering niets voor. Daarop is Van Mierlo gefrustreerd uit de Europese Conventie gestapt die de Grondwet opstelde.

„De ministers Beyen en Luns, die gezichtsbepalend zijn geweest voor het Nederlandse Europabeleid, waren beslist geen federalisten. Het anti-atlanticisme van De Gaulle maakte Luns zelfs in zekere zin eurosceptisch. Wel waren Luns èn Beyen allebei sterk voorstander van meerderheidsbesluitvorming om tot Europese beslissingen te komen. Ook waren ze voor een stevige rol van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Unie, voor toezicht van het Europees Parlement en voor het Europees Hof. Dat zagen ze vooral als instrumenten om een douane-unie tot stand te brengen met één gemeenschappelijk buitentarief en een interne markt. Zonder Beyen was de gemeenschappelijke markt er niet gekomen en zonder Luns was deze nooit voltooid. Beyen en Luns waren een leading force achter de Europese Economische Gemeenschap. Maar sinds de spruitjesrevolte reageert Den Haag alleen nog defensief en speelt de nationale kaart.”

Een meerderheid van de Nederlanders heeft de Grondwet wel afgewezen.

„De Fortuynrevolte heeft geleid tot het fenomeen van de bukkende bestuurder, die bang is zijn vingers aan Europa te branden. En hij heeft geen antwoord op de wijze waarop ook Wilders en de Socialistische Partij Europa als ‘bedreiging’ afschilderen. Nederland moet weten wat het met Europa wil en dat uitdragen, net als Beyen en Luns deden. Bijna driekwart van de bevolking is voor de EU. Nederlanders zijn slim genoeg om te weten wat de voordelen zijn.’’

Is er wel een nieuw Europees verdrag nodig?

„Het hele idee dat Europa zonder grondwet knarsend zou vastlopen heb ik nooit gezien. De Unie marcheert prima als je naar de uitvoering van Europese beslissingen kijkt. Maar wat besluitvorming betreft was de Grondwet een duidelijke verbetering. Europa is knap ingewikkeld. Zonder zakjapanner kun je de ingewikkelde stemverhoudingen niet meer berekenen. Het kan sneller en eenvoudiger.

„Juist in een land als Nederland met zijn wisselende coalities is goede besluitvorming een waarde. Een grondwet hoef je het niet te noemen. Maar wie hecht aan openheid in de EU, is uiteraard voorstander van de voorgestelde verbeteringen. Laat politici dat ook durven zeggen.’’