Sterven (1)

Misschien moet je een keer in Kierling geweest zijn om te weten dat je daar niet wilt sterven.

Het is een dorpje bij een voorstad, het boven Wenen gelegen Klosterneuburg. Kierling bestaat uit een lawaaiige, smalle doorgaande weg, een kerk, verspreide huizen tegen beboste hellingen, een lelijk monument van een triomferende soldaat („Ihr Helden – Die Heimat”), een Gasthof (op dinsdag gesloten) en ‘Mr. Qin’, een restaurant voor ‘Asiatische Spezialitäten’.

Het militaire monument werd pas in 1926 opgericht, twee jaar na de dood van Kafka, dus daar heeft hij zich in ieder geval niet aan hoeven ergeren. Hij had ook wel wat anders te doen. Hij moet vermoed hebben dat hem in Kierling niets anders dan de dood wachtte. Er was eerder in Wenen bij hem tuberculose aan het strottehoofd geconstateerd, hij woog in winterkleding nog maar 49 kilo.

Misschien was hij liever ergens anders gestorven, bijvoorbeeld in zijn geboortestad Praag, maar hij had niet veel meer te kiezen. In Wenen liepen voor hem de beste specialisten rond. Vooral zijn zorgzame nieuwe vriendin, Dora Diamant, wilde dat ook de miniemste mogelijkheid op genezing werd onderzocht. Ze was bovendien bang dat Kafka een terugkeer naar Praag zou opvatten als bewijs van zijn ondergang.

Het sterfhuis van Kafka staat langs die ene razenddrukke weg. Een bordje wijst er de weggebruikers op: ‘Dr. Franz Kafka-Gedenkraum’. Mijn buschauffeur was het nog nooit eerder opgevallen, maar hij was zo aardig een inwoner van Kierling te vragen waar ik moest uitstappen.

Het vrijstaande huis, bestaande uit twee verdiepingen en een zolder, lijkt nog altijd sterk op de oude afbeeldingen die ik had gezien. Het heeft iets statigs, zeker in deze omgeving. Plaquettes aan de gevel verwijzen naar Kafka en het instituut dat er gevestigd was: ‘Sanatorium Hoffmann’.

Het sanatorium van dr. Hugo Hoffmann was niet veel meer dan een veredeld medisch pension. Er werkte maar een kleine medische staf, de patiënten kwamen er vooral voor de rust. Kafka nam zijn intrek in een kamer aan de achterzijde, vermoedelijk op de tweede verdieping, met een balkon waar hij kon liggen.

Ik loop na aankomst meteen achterom en beland bij een grote supermarkt. Het sterfhuis heeft een tuin van ten minste veertig meter diep, die met een schutting is afgescheiden van het terrein van de supermarkt. De achterzijde van het huis is vanaf deze kant goed te zien. Er zijn vier kleine houten balkons, op iedere verdieping twee. Eén van die balkons moet van Kafka zijn geweest.

Ik bel volgens afspraak aan, een vrouwelijke bewoner op de tweede verdieping geeft me een sleutel van het Gedenkraum aan de voorzijde. Waar Kafka precies gelogeerd heeft, is onbekend, zegt ze. De kamers aan de achterkant zijn alle bewoond, daarom bleef er voor de Osterreichische Franz Kafka-Gesellschaft alleen een kamer aan de voorkant over.

Wat maakt het ook uit. Niemand komt voor die uitgestalde kopieën van medische protocollen, voor een voorbeeld van de ‘Kehlkopfspiegel’ waarmee patiënten als Kafka onderzocht werden, laat staan voor de planken vol secundaire Kafkaliteratuur.

Je komt om te begrijpen wat het voor hem moet hebben betekend in deze omgeving te sterven.