Pourveurs vrouwenlichaam is als een vreemde macht

Theater: Spell m-a-n (Congo), door Toneelschuur Producties. Tekst: Paul Pourveur. Regie: Karina Kroft. Gezien: 6/5 Toneelschuur, Haarlem. Daar t/m 12/5. Info: 023-5173910 en www.toneelschuur.nl.

Congo. Het woord roept associaties op met duisternis, oorlog, gevaar. Maar ook met geheimzinnige schoonheid en onbereikbare verlangens. En steeds met België, de oude kolonisator.

De Belg Paul Pourveur schreef een theatertekst waarin Congo het reisdoel is van tien blanke mannen. In Spell m-a-n (Congo) zoeken die mannen een vrouw. Een geheimzinnige schoonheid natuurlijk en onbereikbaar. Slechts één man overleeft de hordenloop door de jungle. Slechts één man kan zijn droomvrouw in de ogen zien.

In de regie van Karina Kroft spelen drie acteurs de krimpende groep. Nou ja, echt spelen doen zij niet. Jasper Boeke, Vincent Croiset en Michiel Huisman vertellen, beurtelings of zomaar door elkaar. Ze vertellen ritmisch, vlot en met bravoure. Ze vertellen in de derde persoon en in de verleden tijd.

Dat schept afstand. Temeer daar Pourveur het vertellen zelf tot thema maakt, de overlevering, de kroniek, de mythe. Nooit vertellen de vertellers uit de eerste hand; ze halen, beweren zij, hun informatie uit geschiedenisboeken, wetenschappelijk werk en geruchten. We horen geen verhalen over mannen van vlees en bloed maar over wezens die allang tot de heldenstatus verheven zijn. En de verhalen zijn legenden geworden.

Pourveur heeft een problematische vorm gekozen. In het voordeel ervan spreekt de ironie: heldendom, grootheidswaan en het verlangen naar onsterfelijkheid worden op de korrel genomen. Maar ook het ironiseren van mannelijke ijdelheid is ijdel, want de schrijver vestigt steeds de aandacht op zichzelf.

Tegenover die reusachtig opgeblazen mannen, Paul Pourveur incluis, staat een bescheiden vrouw. Drie kwartier lang zit Ricky Koole stilletjes op de rand van een vijver. Eindelijk mag de actrice iets doen. Ze zingt. Liedjes van Joni Mitchell en James Taylor, teder en een tikkeltje melancholiek.

Veel verband tussen dat liedjesprogramma en de voorafgaande tekst is er niet. Ook het laatste deel van het drieluik, een door Koole uitgesproken monoloog, staat nogal los van de rest. Alle stokpaardjes van Pourveur moet Koole in die slottekst berijden: de evolutieleer en de genetische opmaak van de mens, de waarschijnlijkheidsleer en mathematisch gegoochel. Deze vrouw praat over haar lichaam als over een vreemde macht. En net als in het eerste deel is die vervreemding soms goed voor een lach maar vaker nog voor verveling en irritatie.

Wat moeten we met zulke cerebrale lappen tekst? Horen zij wel in het theater thuis? Uit Karina Krofts enscenering van Peter Handke’s Zelfbeschuldiging bleek al haar voorkeur voor talig, ingewikkeld, ja, onmogelijk drama. Ze is een jonge regisseur die veel durft. Ze onderwerpt weerbarstig materiaal aan haar eigen wil. Maar Handke schrijft beter dan Pourveur: Kroft zou schrijvers moeten kiezen die passen bij haar talent.