Opvallend veel ‘mooie’ kunst op Art Amsterdam

‘Schattig’ of ‘wat leuk!’ Veel kunst op Art Amsterdam ontlokt zulke kreetjes bij het publiek. Ook de kritischer kunstenaars geven hun boodschap een mooi vernisje mee.

Het eerste dat opvalt zijn de hoge wanden. Die geven de stands op Art Amsterdam een haast museale allure. „In vijf jaar tijd zijn we van 2,75 naar 3,5 meter gegaan”, vertelt directeur Anneke Oele trots. „Dat is nu internationaal de standaard. En Art Amsterdam moet kunnen concurreren op Europees niveau”, zegt Oele.

Oele wil dat de Amsterdamse kunstbeurs een plek krijgt in de agenda van internationale verzamelaars, tussen beurzen als die in Berlijn, Düsseldorf, Keulen, Londen, Brussel en Basel. Op deze tweede Art Amsterdam – of de 23ste KunstRAI – komen 31 van de 125 galeries van over de grens. „En veel Nederlandse galeries brengen buitenlandse kunstenaars.”

Een van de nieuwe deelnemers dit jaar is Annex 14 uit Bern, die werk laat zien van de Belgische kunstenaar Kristof Van Gestel. „We werden gevraagd”, zegt galeriehoudster Elisabeth Gerber. Ze heeft een prima plek gekregen, te midden van Nederlandse avant-garde galeries als Akinci, Diana Stigter en Ellen de Bruijne. Maar helemaal tevreden is de Zwitserse niet. „Het mag allemaal best wat internationaler”, vindt ze. “Twintig procent buitenlandse galeries is lang niet genoeg. En er doen nog te veel Nederlandse galeries mee die niet bepaald een internationaal niveau hebben.”

Haar overbuurman Martin Rogge van Flatland Gallery beaamt dat Art Amsterdam „nog een beetje provinciaals” is. Hij neemt jaarlijks deel aan zeven kunstbeurzen en was de afgelopen twee weken te vinden op DFoto in San Sebastian en Art Brussel. „Het valt op hoe netjes Art Amsterdam is. Er is niets op aan te merken, maar juist dat is er op aan te merken. De kunst is hier wel heel erg keurig en kleurig. Art Rotterdam heeft een veel kleiner aanbod, maar meer dynamiek.” Bovendien, zegt Rogge, is een beurs pas internationaal als er buitenlandse verzamelaars komen. Tijdens de opening hoorde je toch vooral Nederlands.

Het is waar dat er dit jaar opvallend veel ‘mooie’, decoratieve kunst op Art Amsterdam te vinden is. De schilderijen hebben vrolijke zuurstokkleuren of gezellige motiefjes. Vooral dieren en bloemen doen het goed. Zo toont Art Kitchen de fluffy teddyberen van Marjolijn Mandersloot en verkoopt Maisenbacher Art Gallery voor driehonderd euro plastic replica’s van Wagner’s Dog, een multiple van de Duitse kunstenaar Ottmar Hörl. Het is het soort kunst dat bij bezoekers kreten als ‘schattig’ of ‘wat leuk!’ ontlokt.

Zelfs kunstenaars die wel degelijk een maatschappijkritische boodschap hebben, verpakken die in een verleidelijk jasje. Bij Galerie Maurits van de Laar moet je goed kijken naar de tekeningen van Justin Wijers voordat je doorhebt dat deze vrolijk gekleurde voorstellingen dode soldaten voorstellen. En Meschac Gaba uit Benin laat bij Lumen Travo een prachtige serie schilderijtjes zien waarvan de lijsten gemaakt zijn van versnipperd Afrikaans geld. Hij plaatste er een tekst bij die handelt over „hoge versus lage cultuur”. Toch zijn het in de eerste plaats hebbedingetjes.

Mede verantwoordelijk voor het lieflijke karakter van Art Amsterdam is het grote aantal Aziatische kunstenaars dat dit jaar deelneemt. Met name Japanse en Koreaanse kunstenaars blijken een voorliefde te hebben voor de kleur roze en voor ronde kindergezichtjes. Blikvanger is de stand van Willem Baars Projects, die gevuld is met werk van drie zeer succesvolle kunstenaars uit India, beter bekend als de Bombay Boys. Een reusachtige installatie van Bose Krishnamachari, gemaakt van vijftig in lunchtrommels verpakte videoschermpjes, is zojuist voor een bedrag met vijf nullen verkocht. Cameraploegen gonzen rond de kunstenaar.

Standhouder Willem Baars bekijkt de drukte met een minzame glimlach. „Ik toon al tien jaar werk van Indiase kunstenaars. Maar nu is het opeens hip. Dat is de macht van het geld. De kunstwereld is lui. Verzamelaars, journalisten – iedereen loopt achter de markt aan. Als het duur is, denkt men, zal het wel goed zijn.”

Maria Chailloux heeft ervoor gekozen om niet mee te doen aan de hype. Zij liet de witte muren van haar stand volledig beschilderen door Gijs Frieling. Een muurschildering is niet te verkopen. Dus ja, je mag deze tentoonstelling opvatten als een statement tegen de commerciële kunstwereld, zegt ze. Om dezelfde reden heeft ze ook geen galerieruimte meer, en werkt ze tegenwoordig niet meer met twintig, maar slechts met vijf kunstenaars samen. Chailloux: „Ik heb heel aardige collega’s hoor, maar ergens zijn we toch allemaal een soort handelaren in tweedehands auto’s.”

Art Amsterdam. T/m 13 mei www.artamsterdam.nl