Langzaam kleurt de wereld rood

Tot 2020 is de grilligheid van het klimaat zo groot, dat we nog mogen rekenen op een Elfstedentocht. Daarna maakt het broeikaseffect dat onmogelijk.

De modellen worden verfijnd. Dat het klimaat verandert is wel bekend, maar hoe en in welk tempo deze verandering zich voltrekt veel minder.

Klimaatonderzoekers van het KNMI in De Bilt en het Instituut voor Meteorologie en Atmosferisch Onderzoek van de Universiteit Utrecht hebben samen de computers van het Amsterdamse rekencentrum SARA ingeschakeld om te kunnen voorspellen wat ons de komende honderd jaar te wachten staat. Projectleider Wilco Hazeleger: „Je moet dit zien als de voortzetting van het werk van het VN-klimaatpanel. Waar tot voor kort nog werd voorspeld aan de hand van enkele modellen, kijken we nu naar zeventien klimaatberekeningen tegelijkertijd. Vergelijk het met de ontwikkeling van een geneesmiddel. Om dat op de markt te brengen, moet je het niet bij één persoon testen, maar bij een grote groep mensen.”

De klimaatonderzoekers beschikken over een reusachtig scherm van vijf meter breed en drie meter hoog dat is opgedeeld in vijftien kleinere schermen. „Het is een portal, een window van de supercomputer die erachter zit”, zegt Bram Stolk van SARA. Op al die schermen kun je vrijwel alle klimaatmodellen laten draaien voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van de temperatuur in de periode van 1950 tot 2100. Langzaam maar zeker wordt op alle schermen de wereld rood, de kleur van de opwarming. Het fenomeen doet zich het eerst voor bij de polen, daarna zijn de subtropen aan de beurt, en iets later volgt de opwarming van Europa. De continenten worden eerder rood dan de oceanen.

Een van de resultaten van het zware rekenwerk is dat door het gebruik van zeventien klimaatmodellen de natuurlijke grilligheid van het klimaat er min of meer uitgefilterd kan worden, eenvoudigweg door het gemiddelde van al die berekeningen te nemen. Wat overblijft, zijn de kansen op klimaatverandering die puur en alleen het gevolg zijn van het mede door de mens veroorzaakte broeikaseffect. „We filteren de ruis eruit, zodat het signaal overblijft dat we kunnen analyseren”, zegt onderzoeker Andreas Sterl.

In het project is met een klimaatmodel zeventien keer het klimaat van 1950 tot het jaar 2100 gesimuleerd, telkens met een minieme wijziging van de begintoestand. Als maat voor de uitstoot van broeikasgassen is genomen business as usual, dat wil zeggen een scenario van het VN-klimaatpanel waarin mondiaal gezien geen zeer drastische maatregelen zijn genomen om deze uitstoot te beperken. Andreas Sterl noemt het „zorgwekkend” dat met name in het gebied rond de Middellandse Zee de hoeveelheden neerslag zullen afnemen. „Dat is zorgwekkend omdat daar zo veel mensen wonen.”

De nieuwe berekeningen laten zien dat de afgelopen winter, die in een groot deel van Europa de warmste ooit is geweest, min of meer model kan staan voor onze winters van de toekomst. „Deze winter past binnen het verwachte patroon”, zegt klimaatonderzoeker Geert Jan van Oldenborgh. Vooral de sterkere westenwinden maken het continent ’s winters warmer.

De eveneens zeer warme zomer van vorig jaar daarentegen kan pas over vijftig jaar als heel normaal worden beschouwd. Tot 2020 is de grilligheid van het klimaat in Europa echter nog zo groot „dat we volgend jaar best een Elfstedentocht zouden kunnen hebben”, zegt Geert Jan van Oldenborgh. Pas na 2020 is het broeikaseffect zo ver voortgeschreden, stelt het KNMI, dat het de „natuurlijke fluctuaties” van het klimaat ontstijgt en er gesproken kan worden van een structurele kans op zachte winters en warme zomers.

Lees meer over de klimaatmodellen op www.knmi.nl