‘In Hollywood zijn Arabieren altijd schurken’

De Amerikaanse hoogleraar massacommunicatie Jack Shaheen doet al dertig jaar onderzoek naar het beeld van moslims en Arabieren in films en televisieseries. „Geen enkel stereotype is zo hardnekkig.”

Scène uit de tv-serie ‘24’ Foto Fox/RTL Fox/RTL

Ondanks drie decennia onderzoek raakt Jack Shaheen, emeritus hoogleraar massacommunicatie, nog steeds aangedaan als hij spreekt over het beeld van Arabieren en moslims in films en tv-series. Over de harems en haakneuzen die hen worden toegeschreven, de geldzucht, bloeddorst en slechtheid die film-Arabieren steevast aankleeft. „Het raakt me, omdat dat vooroordeel zo schadelijk is, en omdat het zo diep zit”, zegt hij in een Amsterdamse hotelkamer. „Mensen zijn bijvoorbeeld altijd verbaasd als ze horen dat ik christen ben en geen moslim. Dat is tekenend. Alsof alleen een moslim zich onrecht jegens moslims aan kan trekken.”

Shaheen, in 1935 geboren in Pittsburgh in een gezin van Libanese herkomst, is hier op uitnodiging van het culturele tijdschrift Eutopia. Ruim 900 films beschrijft hij in zijn boek Reel Bad Arabs, How Hollywood Vilifies a People (2001). De gelijknamige documentaire uit 2006 waarmee Shaheen, à la Al Gore, rondtoert, stemt evenmin vrolijk. Van Disney’s Aladdin tot Spielbergs Back to the Future tot de klassieker Casablanca – stigmatisering van Arabieren is in Hollywood een constante. „Met vrouwen, zwarten en Aziaten gaat Hollywood inmiddels een stuk bewuster om”, verzucht Shaheen. „Maar voor Arabieren geldt: Arabier is moslim, is schurk. Er is geen vooroordeel dat zo oud, en zo hardnekkig is.”

Waarin verschilt het stereotype in Hollywoodfilms van het exotische stereotype dat Edward Said in ‘Oriëntalism’ beschreef?

„Het Amerikaanse stereotype is benauwender en dwingender. Disney’s Aladdin begint zo: ‘I come from a land/ where they cut off your ear/ it’s barbaric, but hey, it’s home.’ Een kinderfilm! Aladdin heeft een lichte huid, als een blank Amerikaantje. Bediendes en kooplieden hebben sinistere baarden en valse ogen. Het sleutelwoord is: angst. Maatschappelijke angst vloeit via scriptschrijvers films in, bewust en onbewust. Scriptschrijvers worden gevoed door dezelfde mediabeelden als wij allemaal.”

In zijn boek toont Shaheen aan hoe Hollywood en de Amerikaanse buitenland- en defensiepolitiek op één lijn zitten. Als dieptepunt noemt hij Rules of Engagement uit 2000, waarin in Jemen zelfs kinderen Amerikaanse mariniers naar het leven staan. Het hierop neermaaien van een groep Jemenitische vrouwen en kinderen wordt volgens hem op die manier gerechtvaardigd. De film werd gemaakt met hulp van het Pentagon.

Shaheen: „Films als deze leren ons dat je voor Arabieren geen empathie hoeft te hebben, omdat ze geen mensen zijn. Film na film, tv-serie na tv-serie, krijg je dit ingeprent. In mijn ogen loopt er een lijn van dit soort films naar beelden als die uit Guantánamo Bay.”

U vergelijkt dit met de manier waarop joden eind jaren dertig werden afgebeeld. Waarom maakt u die vergelijking?

„Omdat hij reëel is. Kijk naar de baarden, de haakneuzen. Joden en Arabieren zijn semieten, dezelfde karakteristieken worden belachelijk gemaakt. Daarnaast is het structureel ontmenselijken van een etnische of religieuze groep erg gevaarlijk. God verhoede dat we ooit nog een holocaust meemaken, maar demonisering blijft helaas zelden zonder gevolgen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn 100.000 Japanse Amerikanen opgesloten. Houders van een Amerikaans paspoort, die werden opgesloten vanwege hun uiterlijk.”

Is de stigmatisering van Arabieren in films na 9/11 erger geworden?

„Het is erger, omdat de vijand nu ook binnen zit. In tv-series als 24 is de boodschap nu dat een Arabier of moslim nooit te vertrouwen is, zelfs al woont hij naast je en is hij geïntegreerd.

„Gelukkig wordt er sinds 9/11 hier en daar ook meer nagedacht over wie Arabieren en moslims eigenlijk echt zijn. Dat leidt tot films als Paradise Now van Hani Abu-Assad, of Syriana van Stephen Gaghan, films waarin goede en slechte Arabieren voorkomen, Arabieren die vaders zijn, of vrienden.”

U werkte mee aan de film over olie ‘Syriana’. Wat is er door uw toedoen veranderd?

„Ik heb telkens geprobeerd echte mensen van de Arabische personages te maken. In Syriana vond ik dat er meer aandacht moest komen voor het gezin van de Saoedische prins, aangezien je de westerse personages ook met hun gezinnen zag. Een andere prins had steeds vrouwen om zich heen. Een harem! Anno 2006!”

U kent ook ‘Shouf, Shouf, Habibi!’

„Ik vond dat er wel wat meer nadruk had mogen liggen op het samenleven van Nederlanders en Marokkanen. Die twee groepen bleven nu erg gescheiden.”

Dat doen ze in werkelijkheid helaas ook. Moeten films de nare realiteit niet tonen?

„Ik pleit zeker niet voor een suikerlaagje over de werkelijkheid. Maar wil je als filmmaker je publiek alleen laten zien wat het al weet? Of wil je ook iets positiefs meegeven, mogelijkheden tonen?”

In Europa is na de moord op Theo van Gogh en de cartoonrellen veel discussie over vrijheid van expressie versus belediging. Waar ligt die grens voor u?

„Voor mij mag kunst controversieel zijn, kunst mag zelfs beledigen. Maar soms schuilt er in controversiële kunst onvervalste discriminatie of racisme, bewust of onbewust. Stel, de Deense cartoons waren tegen joden gericht geweest. Zouden Europeanen dan ook vinden dat de vrijheid van meningsuiting voorging?”

Jack Shaheen leidt morgen in het Haags Filmhuis zijn documentaire Reel Bad Arabs in. Een clip daarvan staat op YouTube.