De drie stambomen van la droite

Van de bijna vijftig jaar dat de Vijfde Republiek bestaat, heeft Frankrijk veertien jaar onder een linkse president gestaan: François Mitterrand (1981-1995). De andere vijf presidenten, te beginnen met Charles de Gaulle, werden tot la droite gerekend; de laatste, Nicolas Sarkozy, eveneens.

Nu zegt dit op zichzelf niet erg veel, want rechts in Frankrijk kent vele families of stambomen, zelfs binnen één partij. De onlangs overleden historicus René Rémond noemde zijn klassieke boek dan ook Les droites en France. Hij onderscheidde drie hoofdstromingen of tradities; orleanisme, bonapartisme en legitisme.

In feite zijn er meer. Pétainisme of fascisme en populisme moeten er ook toe gerekend worden. Maar laten we ons tot democratisch rechts bepalen. Tot welke stromingen behoorden de Gaulle en diegenen van zijn opvolgers die zich nog steeds op hem beroepen? Dat is niet gemakkelijk te zeggen, want vaak belichaamden ze verschillende stromingen in één persoon.

Dat was al vroeg zo. Napoleon III zou eens gezegd hebben dat in zijn naaste omgeving die drie stromingen vertegenwoordigd waren: zijn vrouw, een bigotte Spaanse gravin, was legitimist; Morny (zijn halfbroer, want natuurlijke zoon van koningin Hortense van Holland) orleanist; hijzelf republikein; alleen Persigny, zijn trouwe paladijn, was bonapartist, maar, zo zei de keizer: „die is gek”.

Maar door welke politieke filosofieën worden die verschillende stromingen gekenmerkt? Legitimisten waren de aanhangers van het huis van Bourbon, dat regeerde van 1589 tot 1792 en van 1814 tot 1830. Zij verdedigen traditionele, vooral rooms-katholieke, waarden, ook als ze niet langer roepen om herstel van de monarchie. De presidentskandidaat Philippe de Villiers kan tot die school gerekend worden; hij kreeg in de eerste ronde slechts 2,24 procent van de stemmen (toch nog altijd meer dan de communisten en de diverse groenen).

Het orleanisme voert zijn ideeën terug op het koningschap van Louis-Philippe (1830-1848), die uit het huis Orléans (een aftakking van de Bourbons) stamde. Hij werd niet voor niets de burgerkoning genoemd, want onder zijn regering floreerden burgerdom en kapitalisme en dus ook een zekere mate van vrijheid.

Onder zijn opvolger keizer Napoleon III (1852-1870), die tot het huis Bonaparte behoorde, zette de bloei van de bourgeoisie zich voort, maar nu onder een aanvankelijk veel autocratischer regime, dat evenwel sterk sociale trekken vertoonde. Napoleon III wordt dan ook wel eens een protofascist genoemd.

Echte legitimisten, orleanisten en bonapartisten – in die zin dat zij herstel van de respectieve monarchieën bepleiten – bestaan niet meer of zijn verwaarloosbaar klein in getal. Maar hun geest bestaat nog wel in allerlei mengvormen, die zich er overigens wel voor wachten die namen te gebruiken. Die behoren tot een puur historische, maar daarom nog niet nutteloze classificatie.

Als we nu, de rij van de presidenten nagaande, vragen tot welke van de drie stromingen ieder van hen behoorde, dan stuiten we al dadelijk bij generaal de Gaulle (1958-1969) op de moeilijkheid dat hij zozeer een figuur sui generis was dat hij niet in één categorie te vangen is. Dat neemt echter niet weg dat hij in zijn jeugd de invloed heeft ondergaan van de denker Maurras, die zelf royalist was.

De Gaulle was ook in zoverre legitimist dat hij zei vanaf 1940, toen hij Frankrijks capitulatie weigerde te aanvaarden en hoofd werd van de Vrije Fransen, Frankrijks legitimiteit te belichamen (dus ook tussen 1946 en 1958, toen hij zich in de politieke woestenij bevond). Daarnaast echter stond hij sociale ideeën voor en probeerde hij Frankrijk te decentraliseren (wat hem in 1969 de kop zou kosten).

Zijn opvolger, Georges Pompidou (1969-1974), oud-firmant van het bankiershuis Rothschild, kan duidelijk als orleanist geclassificeerd worden. Dat is ook het geval met Valéry Giscard d’Estaing (1974-1981), Pompidou opende ‘Europa’ ook voor Engeland, wat uitgelegd kan worden als een bewijs van een liberalere instelling dan die van zijn voorganger.

Wat de filosofie van nummer 4, Jacques Chirac (1995-2007), was is weer moeilijk te zeggen – niet omdat hij net zo’n uitzonderlijke figuur was als de Gaulle, maar eerder omgekeerd: omdat hij zelden op enig principe te betrappen was. Het moet nog blijken of Sarkozy niet ook tot deze categorie behoort. Tot dusver heeft hij zich vooral doen kennen als iemand die alleen in de macht geïnteresseerd is.

Eén president van de Vijfde Republiek is nog niet ter sprake gekomen: François Mitterrand. Maar die behoorde dan ook niet la droite. Hij behoorde tot de Parti Socialiste, die hij zelfs opgericht had. Maar was hij wel socialist? In zijn jeugd behoorde hij tot een semifascistische beweging, en in de oorlogsjaren was hij een tijdlang dienaar van maarschalk Pétains collaborerend regime, tot hij in het verzet ging (hij vloog zelfs clandestien heen en weer naar Londen).

Ook als president bleef hij vriendschappen met oud-collaborateurs koesteren en had hij een voorliefde voor schrijvers van ‘rechtse’ reputatie (zoals Jacques Chardonne). In Duitsland ging hij, tot ontsteltenis van zijn partijgenoot Den Uyl, op bezoek bij Ernst Jünger, weliswaar geen nazi, maar ook geen loepzuivere democraat. In het gaullistisch staatsbestel, dat hij eens als een „permanente staatsgreep” had veroordeeld, schikte hij zich, eenmaal president geworden, wonderwel.

Kortom, in de Vijfde Republiek kunnen vogels van zeer diverse pluimage de hoogste top bereiken. Lang niet allen zijn ongeschikt gebleken als president. Bij de meesten is zelfs het omgekeerde waar. Laten we hopen dat Sarkozy tot dezen zal blijken te behoren.

Maar, zo konden we in de krant van maandag lezen, Sarkozy „is wél Fransman en zal dus een scherp oog hebben voor het Franse nationale belang”. Is daar iets mis mee? Balkenende zou geen knip voor de neus waard zijn, als hij geen scherp oog had voor het Nederlandse belang – wat dit ook moge zijn.