De drie lessen van het tijdperk Blair

Na tien jaar Blairism is het tijd voor een balans. Tony Blairs grootste fouten waren Irak en zijn kritiekloze trouw aan de VS. Daarnaast had hij de pers tegen moeten spreken, schrijft Timothy Garton Ash.

Alle politieke carrières eindigen in een mislukking, maar het is niet altijd dezelfde mislukking. Nu Tony Blair vertrekt, is hij in eigen land zeer impopulair, maar in het buitenland wordt hij gerespecteerd. Volgens een recente opiniepeiling vindt maar 22 procent van de Britse ondervraagden hem te vertrouwen en zegt 59 procent dat hij de status van Groot-Brittannië in de wereld niet heeft verhoogd. De vraag is: zou 59 procent van de wereld hiermee instemmen?

Onlangs liet ik Blair op deze pagina in een vraaggesprek de balans opmaken van zijn buitenlandse politiek (Opiniepagina, 2 mei). Afgaand op de woedende (Britse) reacties die ik kreeg, is het zelfs al intellectueel verraad om de vertrekkende premier netjes aan te horen. De enige plicht van elke commentator is om Blair – pardon, Bliar – te verhoren en aan te klagen alsof hij een kruising is tussen Karadzic, Pinochet en Eichmann. Dat bebloede handje mag nooit meer worden geschud, dat lachje moet voor eens en altijd van zijn gezicht worden geveegd.

Maar laten we naar Blair zelf luisteren. De kern van het Blairism in de buitenlandse politiek, zegt hij, is het liberale interventionisme. Zijn buitenlandse politiek draaide geheel om de combinatie van soft en hard power (‘zachte’ en ‘harde’ macht), en om de versterking van onze allianties met de VS en de EU. Dit om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van onze tijd.

Er zijn twee manieren om hierop te reageren. We kunnen het oneens zijn met de agenda zelf. Het liberale interventionisme, zouden we kunnen zeggen, is een waardeloos idee. Wat hebben wij ermee te maken als vreemdelingen elkaar willen vermoorden als ze daar zin in hebben? Onze superieure, Europese, ‘zachte’ macht wordt gedemonstreerd door nergens tussenbeide te komen. We houden onze handen schoon door geen vinger uit te steken. En we willen in geen geval dicht bij de VS staan (linkse blairofoben) of bij Europa (rechtse blairofoben.)

De andere reactie is om zijn staat van dienst te bezien in het licht van zijn eigen doelstellingen. Wie – zoals ik – gelooft in waarachtige liberale interventie – dat wil zeggen interventie ter verhindering van volkenmoord – dan dient hoog aan de creditkant van de balans Kosovo te staan. Daar ging Blair voorop in een internationaal optreden ter beëindiging van de volkenmoord die Milosevic beging tegen de Kosovaarse Albanezen. Kosovo is geen Zwitserland geworden, maar het is wel op weg een Europees land te worden. Zowel Servische als Kosovaarse krijgsheren worden in Den Haag vervolgd. Voor een liberale interventionist was Kosovo Blairs hoogtepunt.

De Britse betrekkingen met de Verenigde Staten en de Europese Unie zijn beter dan in 1997. In Europees verband moeten tot zijn verdiensten worden gerekend de decentralisatie van Schotland en Wales en het verbluffende schouwspel dat Ierse Republikeinen als McGuinness en Unionisten als Paisley in Noord-Ierland samen gaan regeren. Ook is Groot-Brittannië sterker in Europa en de overige wereld, omdat het een vrij sterke economie heeft, in combinatie met een hervormde verzorgingsstaat. Daarnaast is de aantrekkingskracht van het blairisme in Italiaanse, Franse en Duitse ogen een element van de Britse zachte macht.

Bij de andere problemen moeten we ons afvragen: wie is beter af? Groot-Brittannië na tien jaar Blair, Frankrijk na twaalf jaar Chirac, Duitsland na acht jaar Schröder of de VS in het zevende jaar van Bush?

Aan de debetkant staat één overweldigend rood cijfer: Irak. Blair beklemtoont dat de geschiedenis het oordeel over Irak zal vellen, maar we kunnen vol vertrouwen toch al zeggen dat Irak een ramp is. Wie dit bestempelt als een geval van liberaal interventionisme bewijst hieraan de slechtst mogelijke dienst. We zijn onder valse voorwendsels en zonder bevoegdheid een oorlog begonnen. Het is een schande dat we ons niet hebben voorbereid op de gevolgen. De situatie kon moeilijk erger worden dan onder Saddam Hussein, en toch is dat gebeurd. Honderdduizenden mensen zijn gedood of verminkt, en het einde is nog niet in zicht. Volgens de Amerikaanse inlichtingendiensten is Irak inmiddels een broedplaats voor een nieuwe generatie terroristen. De honderden miljarden dollars die zijn verspild aan deze oorlog hadden het leven van veel armen op de wereld kunnen verbeteren.

Door troepen uit Afghanistan terug te trekken toen het karwei daar nog maar half was geklaard, hebben we twee mislukkingen in plaats van één mogelijk succes veroorzaakt. De tweedracht tussen shi’ieten en sunnieten is in de hele moslimwereld opgelaaid. De theocratische dictatuur in Iran is versterkt. Het morele gezag van de VS is aan flarden en dat van het Verenigd Koninkrijk is daarin meegesleurd. Irak heeft overal tot een vervreemding van moslims geleid, met inbegrip van onze eigen medeburgers. Moet ik nog doorgaan? Dit is de omvangrijkste ramp in de Britse buitenlandse politiek sinds de Suez-crisis van 1956.

Irak heeft nog een andere zwakte van Blairs buitenlandse politiek blootgelegd: de poging om de Amerikaanse politiek te beïnvloeden via persoonlijke machtskanalen in Washington, en elk openbaar meningsverschil te vermijden. Ik noem dit de diplomatieke school van Jeeves. Net als de modelbutler uit de verhalen van P.G. Wodehouse is Groot-Brittannië en public onberispelijk loyaal, maar fluistert het in vertrouwen tegen Bertie Wooster (alias Bush): ‘Is dat wel verstandig, meneer?’ Deze aanpak is mislukt. Groot-Brittannië alleen is niet groot genoeg meer om de supermacht op andere gedachten te brengen, vooral als Washington denkt dat Britse steun vanzelf spreekt.

De VS hebben behoefte aan een vriend die zo groot is dat Washington naar hem moet luisteren. Die vriend kan alleen een sterke Europese Unie zijn, die spreekt met één stem. Dit is de derde voorname tekortkoming van Blairs buitenlandse politiek. Om tot die ene Europese stem te komen is de volle inzet nodig van Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Maar de Europese politiek van Groot-Brittannië wordt drastisch beperkt door de eurosceptische Britse media. Blair zag dit probleem duidelijk in, maar hij heeft nooit de strijd durven aanbinden met de kranteneigenaren en -redacteuren van wie New Labour zo sterk afhankelijk was.

Als we deze balans opmaken gaat het er niet alleen om instant-geschiedenis te schrijven. Het gaat erom van de mislukkingen en successen te leren.

Drie lessen dringen zich op:

De vlag van het liberale interventionisme mag nooit meer zo worden misbruikt. Eerst moeten de vele vreedzame vormen van liberale interventie worden uitgeput. Voor het laatste redmiddel van het militaire optreden moeten we een gerechtvaardigde grond hebben, gebaseerd op feiten en niet op verzinsels. En we moeten bereid zijn tot een langdurige nasleep.

Alleen een sterk Europa dat met één stem spreekt, kan de strategische partner zijn die de VS nodig hebben.

Om tot dit sterke Europa te komen moet de Britse premier de ongekozen persbaronnen aanpakken die op het ogenblik de Britse Europese politiek dicteren. Laat Gordon Brown daarom de juiste lessen trekken uit de wisselvallige geschiedenis van zijn voorganger.

Timothy Garton Ash is hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Oxford.