CSI: een modern memento mori

De forensische politieserie ‘Crime Scene Investigation’ (CSI) trekt nog miljoenen kijkers per aflevering.

Vanwaar de populariteit van dit modern memento mori?

Op de grond ligt een man in witte smoking. Op zijn rug, in een plas bloed. Dood. Een stuk ijs steekt sinister uit zijn borstkas. Pal onder een balkon bevindt zich een imposante ijssculptuur. Het lijkt of er een stuk ontbreekt.

Wat is hier gebeurd?

„Het was mijn vrouw”, lacht de ‘vermoorde’ acteur, de ijsschots met een riem om zijn borst gebonden, „zij heeft me eerst neergeschoten en toen viel ik van het balkon, recht in die ijssculptuur”. Anderhalf uur al ligt Colin Ferguson zo te wachten op de komst van David Caruso, detective Horatio Caine in de televisieserie CSI: Miami, en zijn team van forensisch inspecteurs. Caruso arriveert, klimt op een verhoging, en vouwt op de van hem bekende wijze bedachtzaam zijn colbert bij zijn heupen naar achteren zodat de badge aan zijn broekriem zichtbaar wordt. Vervolgens bast hij wat karikaturale oneliners in de richting van de gastheer van het verstoorde societyfeest.

Twee dagen lang werken ruim tweehonderd mensen aan deze paar scènes op de set in Malibu. CSI: Miami, dat in werkelijkheid wordt opgenomen in Malibu en Los Angeles, is in Nederland de populairste van de drie ‘crime scene investigation-series’ die er nu zijn: CSI: Miami, CSI: New York en de eerste, en beste, serie, CSI: Crime Scene Investigation, die zich afspeelt in Las Vegas. Deze eerste CSI veroorzaakte bij de start in 2000 een revolutie binnen de traditionele politieserie. Bedenker Anthony E. Zuiker werd geïnspireerd door een documentaire over forensisch onderzoek, en introduceerde dit element nadrukkelijk in de detective, waar het voorheen altijd een bijrol speelde. Wie naar CSI kijkt, ziet dus een groot deel van de tijd laboratoriumwerk: er worden DNA-monsters genomen, onduidelijke vingerafdrukken gereconstrueerd. Ook worden er geregeld niet mis te verstane lijkschouwingen getoond.

Hoewel de formule inmiddels bekend is – de eerste serie is alweer toe aan zijn zevende seizoen – en vaak gekopieerd, zijn de series nog altijd kijkcijferhits. CSI heeft het forensisch onderzoek op de kaart gezet: inschrijvingen voor forensische studies overtreffen ruim het aantal opleidingsplaatsen; de universiteiten van Amsterdam, Leeuwarden en Enschede startten recent nieuwe opleidingen om aan de grote vraag te kunnen voldoen. Ook de belangstelling voor anatomie lijkt erdoor toegenomen, getuige een expositie als Bodies in de Beurs van Berlage in Amsterdam en het tv-programma Anatomie voor Beginners. Binnenkort start RTL bovendien met de opnames van een eigen, Nederlandse, ‘CSI’: Stille Getuigen.

Maar wat verklaart nu toch de voortdurende populariteit van CSI? En waarom griezelen die talloze kijkers zo graag?

Op de set van de Las Vegas-editie, in een grote, kale loods van de Universal Studio’s in Los Angeles, verklaren acteurs en medewerkers dat de populariteit van de serie vooral te danken is aan het realistische karakter ervan. Natuurlijk, veel van het forensisch werk is vereenvoudigd of gedramatiseerd. Maar waar mogelijk, wordt getracht het werk waarheidsgetrouw weer te geven. De cast van CSI krijgt op de set advies van een voormalig forensisch onderzoeker die dertig jaar lang in het vak zat.

Alle acteurs hebben contact gehad met ‘echte’ CSI’s. Khandi Alexander, die in CSI: Miami de rol van patholoog-anatoom Alexx Woods speelt, belt elke draaidag met een deskundige die haar precies uitlegt wat er bijvoorbeeld bij het binnendringen van een ijsschots precies in het lichaam gebeurt, zo vertelt ze op het terras bij de villa in Malibu. Alexander: „En dan zoek ik het op in mijn exemplaar van Gray’s Anatomy” – een Amerikaans anatomisch standaardwerk.

Het moet zo echt mogelijk zijn allemaal, zegt ook schrijver/producer Naren Shankar. Zo is ongeveer zestig procent van de moorden in de serie gebaseerd op een waargebeurd geval, schat hij. „Het is natuurlijk cru, maar we zullen niet zo snel zonder inspiratie zitten. De werkelijkheid is een onuitputtelijke bron.”

Shankar en de andere schrijvers proberen goed op de hoogte te blijven van de wetenschappelijke ontwikkelingen in het forensische onderzoeksveld, bijvoorbeeld door congressen te bezoeken en contact met onderzoekers te onderhouden. „De ontwikkelingen in dit vak gaan heel snel, technisch kan er steeds meer. Om zo realistisch mogelijk te zijn, moeten we dat bijbenen.”

Maar realisme mag een doel zijn, de serie dankt haar populariteit zeker ook aan het onrealistisch hoge tempo dat het onderzoek op televisie krijgt. Ook de overdreven toelichting van de personages bij hun handelen komt eerder de toegankelijkheid dan de geloofwaardigheid ten goede. „Natuurlijk”, zegt Shankar, „we proberen heel abstracte materie begrijpelijk te maken. Maar we beseffen ook dat het publiek meegroeit. Zo uitvoerig als we in het begin het vinden van vingerafdrukken in beeld brachten, doen we het niet meer. Dat aspect kennen de meeste kijkers nu wel.”

Wat betreft apparatuur en instrumenten is de serie de werkelijkheid ironisch genoeg altijd een stapje voor. Gary Dourdan: „Als studenten van de forensische opleidingen hier komen kijken, zijn ze jaloers op onze spullen. We hebben net nog een microscoop van 50.000 dollar aangeschaft. Terwijl de echte CSI’s met aftandse instrumenten moeten werken. Dat is wel een beetje wrang, ja.”

Maar zouden die miljoenen kijkers zich echt keer op keer vrijwillig laten geselen door gruwelijkheden, enkel omdat die geloofwaardig in beeld worden gebracht? Of bevredigt het programma een dieper gelegen, onbewuste, emotionele behoefte? Gary Dourdan denkt van wel. „Niet voor niets zijn ziekenhuisseries en politieseries altijd zo populair. Zij gaan over leven en dood. Daar is iedereen in geïnteresseerd, omdat iedereen ermee te maken krijgt.”

Inderdaad kan de kijker van CSI, comfortabel in de luie stoel, de dood van dichtbij aanschouwen: vast onderdeel van elke aflevering is de expliciete, levensechte lijkschouwing waarbij doorgaans de doodsoorzaak aan het licht wordt gebracht. Ook hier weer is realisme het devies. Make-up artist Matthew Mungle, die eerder prijzen won voor zijn werk bij Dracula (1992) en de serie Six Feet Under (2005), bestudeert voortdurend politiefoto’s, medische studies en anatomieboeken, zoals The Colour Atlas of Autopsy: „Fantastische kleurenillustraties uit elke denkbare hoek!” De grimeur krijgt geregeld advies van lijkschouwers en forensisch inspecteurs. Vol vuur vertelt hij op de set in Los Angeles over het maken van geloofwaardige lijken.

Het plezier waarmee Mungle van geprakte dadels, aardbeien en bananen kapotte hersenen en organen fabriceert is aanstekelijk, maar wrang. Zeker voor wie weet dat echte forensisch inspecteurs die vruchten vaak niet meer kunnen eten, omdat het ze te veel herinnert aan hun gruwelijke werk. Maar met die wereld heeft Mungles werk weinig van doen. Op de vraag of hij ooit een echte autopsie zou willen bijwonen, reageert hij bijna verontwaardigd: „Hè, jekkes, nee! Ik val al flauw als ik een druppeltje echt bloed zie.”

Zijn ‘doen alsof’ stelt de CSI-kijker in staat ‘de dood’ veilig van dichtbij te beleven. En niet zomaar gewoon de dood, maar een extreem gewelddadige variant. In diverse verschijningsvormen: door messteken, kogels, verwurging, vergif. Dit alles te zien is fascinerend en verslavend – weinig brengt een mens tijdens zijn leven dichter bij zijn eigen (mogelijke) einde. Met een beetje goede wil is een serie als CSI zo te zien als een modern memento mori: een herinnering aan onze sterfelijkheid.

Maar bij CSI gaat die herinnering gepaard aan een geruststellende belofte: dat als ons sterven door de hand van een ander zal zijn, de schuldige tenminste zal worden gepakt. Dankzij de vooruitgang. Dankzij de techniek. Dankzij de wetenschap. Dat wetenschap populair is – althans, de eenvoudige, toegankelijke variant ervan – bewijst het succes van bladen als Quest en programma’s als De Wetenschapsquiz. De makers van CSI spelen daar met hun serie slim op in. Maar ze hebben nog een troef in handen: begrijpelijke wetenschap wordt hier per definitie ingezet voor de goede zaak. De snel voortschrijdende technologisering van de samenleving zal voor sommigen onbegrijpelijk of zelfs beangstigend zijn – bij CSI is dit een zegen.

De status van de wetenschap is in de serie ook onbesproken. Voor ethische discussies, over bijvoorbeeld het verzamelen van DNA-materiaal versus het recht op privacy, is geen plaats. Het moet zeker voor Amerikaanse kijkers behaaglijk zijn dat ‘wetenschap’ nu eens niet gaat over het invriezen van embryo’s voor het gebruik van stamcellen, maar de oplossing biedt voor een ongemakkelijk probleem, met als resultaat een veiliger samenleving.

Dat geeft CSI paradoxaal genoeg iets heel geruststellends. Moord draait om eenvoudige, controleerbare feiten en dankzij de onfeilbare wetenschap worden die altijd achterhaald. Dit geloof in meetbare, praktische oplossingen – altijd haalbaar als je maar hard genoeg werkt – lijkt typisch Amerikaans. Iets ingewikkelds en meerduidigs als psychologie, een populair element in Britse detectiveseries, komt er niet aan te pas.

In Malibu gespt dus de vermoorde Colin Ferguson lachend de ‘dodelijke’ ijsschots af. En thuis, op de bank, schakelt de kijker van CSI eenvoudigweg zijn toestel uit. CSI is gelegitimeerd griezelen, in een veilige context en met een gegarandeerd goede afloop. Onder het wetenschappelijke vernislaagje gaat een geruststellende sprookjeswereld schuil. De dood in de vorm van geprakte banaan.