Bestemming Stordal ‘Iedereen die iets kan is hier welkom’

Jonge, hoogopgeleide Nederlanders emigreren. Braindrain is misschien een groot woord, maar de emigratie stijgt explosief.

Begin mei, de zon zet de vallei van het Noorse dorpje Stordal in een gloed van voorjaarswarmte. Smeltwater stort via watervallen naar beneden. „We voelen ons zo rijk dat we hier wonen”, zegt Harry Klein Hulze, tot voor kort nog inwoner van Zutphen. Hij kijkt dromerig uit over het diepe water van de Storford, waar bruinvissen jagen op haringen. „Ons doel is niet om veel geld te verdienen, maar om een goed leven op te bouwen.”

Het gezin Klein Hulze: Harry (44), Hilde (37), Bé (9) en Trui (7) emigreerde eind 2005, na bemiddeling door Placement Utvikling. Dit wervingsbureau, gerund door Nederlanders, organiseerde de afgelopen jaren de emigratie voor ongeveer 750 Nederlanders naar Noorwegen. Drijvende kracht achter het bureau is arbeidsconsulent Gert Rietman, die zelf in 1997 emigreerde. Bij zijn werk op Noorse arbeidsbureaus viel hem op dat de vraag naar personeel veel groter was dan het aanbod.

Hij stelde de Noren voor om mensen te zoeken in Nederland. Hij kreeg geen steun. „Toch geloofde ik erin en ben ik in 2003 voor mezelf begonnen. De gemeente Fyresdal in het zuiden van Noorwegen was ons eerste project. Dat werd een succes, waarna er meer gemeentes bij ons kwamen.” Het bureau heeft nu tientallen projecten, verspreid over Noorwegen in zijn volle 1.800 kilometer lengte. „We zoeken vaklui en hoger opgeleiden, of mensen die een eigen bedrijf willen beginnen.”

Noorwegen trekt veel Nederlandse immigranten. En de Nederlandse emigratie in haar geheel neemt toe, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Decennialang schommelde het totale aantal rond de 55.000 emigranten per jaar. In 2006 was het al meer dan verdubbeld tot 128.000. In 2006 was ook voor het eerst in veertig jaar de emigratie groter dan de immigratie. Nederland is sindsdien het enige land van West-Europa met een vertrekoverschot.

„Ik werkte in Nederland bij jeugdzorg, Hilde in een bloemenwinkel. We hadden goede banen en een mooi huis, maar dachten: is dit alles, tot ons pensioen?” vertelt Klein Hulze. „Mensen in onze omgeving zeiden dat we een midlife crisis hadden. Nou en? Geeft daar dan ook maar aan toe.”

Op norsk.nl, de website van wervingsbureau Placement Utvikling, stond een horecabedrijf te koop in Midden-Noorwegen. De Klein Hulzes, die al jarenlang in Noorwegen kwamen en overweldigd waren door het land, deden een bod. Voor 280.000 euro werden ze eigenaar van de Fjellstova, een restaurant met camping en huisjes.

In februari 2006 begonnen ze te draaien, al had het echtpaar geen ervaring in de horeca. Harry: „Daar moet je niet moeilijk over doen, gewoon beginnen.” Hilde: „De vorige eigenaar had de boel laten versloffen. De kachel stond laag en de porties waren klein, dan komen de mensen niet meer. Wij hebben de schnitzel hier geïntroduceerd, de Noren zijn er dol op.” Schnitzel Harry noemt de lokale bevolking de uitbater sindsdien.

[Vervolg emigratie: pagina 18]

‘Iedereen die iets kan is hier welkom’

Harry: „In Nederland hadden we nooit een bedrijf van deze omvang kunnen beginnen, je hebt er zoveel diploma’s en geld nodig. Het eerste jaar draaiden we meteen met winst.”

Noorse dorpen zijn verguld met hun nieuwe inwoners. „De Hollanders zijn populair en ze integreren snel”, zegt rådmann (gemeentesecretaris) Leif Kirkebøe van Stordal, waar van de 996 dorpelingen 29 uit Nederland komen. „Ons inwoneraantal daalde voorheen doordat onze eigen Noorse aanwas niet meer voldoende was. We zijn blij met elke immigrant.” De Nederlanders vormen de grootste groep buitenlanders in Stordal, maar Kirkebøe zegt dat iedereen „die iets kan” welkom is, „uit welk land of met welke kleur ook”. Zo zijn er immigranten uit Afghanistan, de Filippijnen, Bosnië, Duitsland, Zuid-Korea en Thailand.

Stordal maakt een levendige indruk. Er zijn twee supermarkten, een fietswinkel, een restaurant annex kroeg (na etenstijd om zes uur ’s avonds dicht), een bloemenzaak, vier meubelfabriekjes, een postkantoor, een voetbalclub, een benzinestation, een verpleeghuis, een basisschool met sporthal, een bank, een VVV (te koop) en één geregistreerde werkloze. Op korte afstand ligt de lokale skipiste.

In het dal is timmerman Sander van Zwieten (39) bezig aan de renovatie van een huis. Hij slaat zijn Noorse kompaan Per joviaal op de schouder en spreekt hem in het Noors aan. „Klootzak”, antwoordt Per gekscherend in het Nederlands. Van Zwieten, afkomstig uit Oudewater in de provincie Utrecht, is het prototype van de vrije jongen. Drie jaar geleden verhuisde hij met vrouw en twee kinderen naar Noorwegen, op zoek naar de ruimte. „Geen dag spijt gehad. Je kunt je auto overal neerzetten. Ik ben ook nooit terug geweest in Nederland. Wat heb ik daar nog te zoeken?” Hij verheerlijkt Noorwegen niet. „Hier heb je ook wachtlijsten en bureaucratie. Noren kunnen urenlang praten over niks.”

In het nabijgelegen plaatsje Valldal drijft Tineke Verpaalen (afkomstig uit Den Bosch) een jamfabriekje. „Je denkt bij Noorwegen niet aan vers fruit. Maar je hebt hier aardbeien, frambozen, aalbessen, bramen, en ze smaken allemaal geweldig.” Verpaalen en haar man Jos kochten twee jaar geleden de fabriek, waar de vruchten nog met handpersen worden verwerkt. „Ik wist niet dat het zo zwaar was en ik heb er een zere schouder door opgelopen.” Het echtpaar heeft de fabriek weer in de verkoop gezet (voor 76.000 euro), maar ze gaan niet remigreren.

Wat is Noorwegen voor land? De Nederlandse immigranten roemen zonder uitzondering de Noorse verzorgingstaat. Gezondheidszorg is zo goed als gratis, onderwijs ook, tot en met de universiteit aan toe. Kinderen die nieuw op school komen hebben jarenlang recht op een paar uur per week onderwijs in eigen taal, hoe exotisch deze ook is. „En er is altijd subsidie als je iets nieuws wilt beginnen”, zegt Harry Klein Hulze, „ze dragen je het geld nog na.”

En hoe zijn de mensen? „De Noren hebben het makkelijk, het land leeft van de olie”, zegt Martin Vos, werkzaam op het wervingsbureau. „Ze hebben nooit haast, het kan altijd nog wel. Dit is een soort Spanje aan de fjorden. In Nederland moet je altijd presteren, presteren, concurreren.” Sander van Zwieten: „Noren rommelen maar wat aan. Ze vinden het al gauw best.” Harry Klein Hulze: „Ze zijn liever lui dan moe. Ze hebben zelf geen zin in nieuwe initiatieven, maar zijn heel behulpzaam als je met een plan komt.” Leif Kirkebøe geeft de lage arbeidsmoraal van de Noren grif toe: „Nederlanders werken veel harder dan wij.”

Behalve hun lethargie valt er met de Noren goed te leven, zegt Vos. „Integreren is je eigen instelling. Je moet op de Noren afkomen, ze komen niet naar jou toe.” De familie Vos, met drie jonge kinderen, volgt de Noorse dagindeling. Dat betekent: lunchen tussen 11 en 12 uur en rond 4 uur ’s middags aan tafel voor de avondmaaltijd. „Je moet wel. Het verenigingsleven bloeit hier nog volop en dat speelt zich allemaal af na het avondeten.” De Nederlanders in het dorp kennen elkaar wel, maar klitten niet samen. Martin Vos: „Niemand komt hier op het idee met Koninginnedag de vlag te hijsen of beschuit met muisjes te eten omdat er een nieuw prinsesje is geboren.”

Blijft er toch nog binding met Nederland? „Ik ben wel nieuwsgierig hoe Nederland zich verder ontwikkelt”, zegt Harry Klein Hulze. Elke morgen kijkt hij op internet naar NOS teletekst en in het weekeinde leest hij de Volkskrant. Gert Rietman (45) en zijn echtgenote Janet Roelofs zoeken op het web vaak naar recente uitzendingen van Nederlandse talkshows. Roelofs (48): „Ik ben hier volledig geïntegreerd, maar ook na tien jaar voel ik me nog steeds Nederlander en daar heb ik geen enkele moeite mee.”

Niet iedereen slaagt in Noorwegen. 7 tot 8 procent van de Nederlanders remigreert. Ze missen Nederland en de familie, raken zonder werk of er komen relatieproblemen. In Stordal dreef een echtpaar van 50+ een reclamebureau, maar toen ze grootouders werden wilden ze terug. De plaatselijke camping liep uit op een faliekante mislukking. Twee gezinnen die het samen zouden runnen kregen ruzie. Ze hielden ermee op, maar bleven wel in Noorwegen. Een nieuwe Nederlandse eigenaar kon de zaak niet draaiende houden en is teruggegaan naar Nederland. De camping staat er vervallen bij en is weer te koop.

Maar Gert Rietman gaat nooit mee terug, zegt hij stellig. „In Nederland moest ik medicijnen slikken tegen astma en bronchitis. Hier niet doordat de lucht zoveel schoner is.” Hij is de eerste van de Nederlanders die gebruikmaakt van het recht Noors staatsburger te worden, na zeven jaar in het land te hebben gewoond – twee paspoorten mag niet. Rietman is uitgenodigd voor een heuse inburgeringsceremonie.

Wie ook in Noorwegen willen blijven zijn Bé en Trui Klein Hulze. Het broertje en zusje moesten in het begin wennen op school. Noorse kinderen bauwden hun Nederlandse woorden na en dat vonden ze niet leuk. Na een paar maanden was het over, spraken ze Noors, waren ze ingeburgerd.

„Wat doe je nu het liefste hier, Bé?”

„Vissen in de fjord.”

„Waar vis je dan op?”

„Op torsk.”

„Torsk?”

„Ja, ik weet niet wat dat is in het Nederlands.”

„Kabeljauw”, helpt vader Harry.

Bé – de muts diep over zijn voorhoofd: „Kabeljauw dan. En als je het nog niet wist: ik maak de vissen zelf schoon en dan eten we ze op.”