17 jaar cel voor oorlogsmisdaden

Het gerechtshof in Den Haag heeft de Nederlandse zakenman Frans van A. gisteren in hoger beroep veroordeeld tot zeventien jaar cel voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden in Iran en Irak. Dat is twee jaar meer dan de straf in de aanvankelijke rechtszaak tegen Van A., eind 2005. Het Openbaar Ministerie (OM) had ook nu vijftien jaar gevangenisstraf geëist.

Net als twee jaar geleden werd de zakenman vrijgesproken van medeplichtigheid aan genocide. Het hof wenste zich niet uit te spreken over de vraag of het regime van Saddam Hussein zich schuldig heeft gemaakt aan volkerenmoord op de Koerden. In 2005 had de rechtbank wel genocide vastgesteld.

Het gerechtshof kwam tot een andere interpretatie dan de rechtbank over de maximumstraf voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden. De rechtbank en het OM gingen uit van vijftien jaar cel als maximum, maar het hof besloot tot een zwaardere straf omdat Van A. „uit grof winstbejag” heeft bijgedragen aan „een uiterst grove schending” van het internationaal humanitair recht door Irak.

De 64-jarige Nederlander heeft in de jaren tachtig op grote schaal grondstoffen voor chemische wapens geleverd aan het Iraakse regime van Saddam Hussein. Dat bewind gebruikte de chemische stoffen voor het maken van gifgaswapens. Die zijn vervolgens ingezet in de oorlog met Iran en tegen de Koerden. Vele duizenden mensen werden door de chemische aanvallen gedood.

Het hof was van oordeel dat de zakenman zich ervan bewust moet zijn geweest dat het Iraakse bewind zijn grondstoffen verwerkte in het mosterdgas waarmee het Koerdische dorpen en steden bombardeerde. Zelf heeft Van A. altijd volgehouden dat hij dacht dat zijn grondstoffen waren bestemd voor de textielindustrie. Die verklaring schoof het hof terzijde als „ongeloofwaardig” en „leugenachtig”.

Anders dan twee jaar geleden kende het hof geen schadevergoeding toe aan de Koerdische en Iraanse slachtoffers van de bombardementen van Saddam Hussein. Het Nederlandse recht is niet van toepassing op hen, aldus het vonnis, en het hof zei onvoldoende zicht te hebben op de Iraakse en Iraanse wetten om hun een schadevergoeding toe te kennen. Hun advocate kondigde aan bij de civiele rechter verder te procederen.

De advocaten van Van Anraat gaan in cassatie bij de Hoge Raad tegen het vonnis. Ook het OM overweegt deze stap, al was persadvocaat-generaal Van Es „niet heel ontevreden” over het vonnis. „Op de leeftijd van de verdachte is deze straf de facto levenslang.”