Strijken is net als spreken

Cellist Jean-Guihen Queyras had eigentijdse muziek nodig om zich vrij te voelen in de klassieken.

Voor het Concertgebouw stelde hij een miniserie samen.

De foyers van Muziekcentrum Vredenburg zijn leeg. „Vous cherchez quelque chose?” Pianist Alexandre Tharaud steekt zijn hoofd om de hoek van de kleedkamer. Hij is de vaste duo-partner van cellist Jean-Guihen Queyras, en samen zijn ze in Utrecht voor een recital met sonates van Poulenc, Schubert en Debussy. Queyras is er nog niet; hij koopt op het station een ticket naar de Provence, waar zijn gezin op hem wacht. Queyras, verhit: „Sorry, sorry, mijn leven is vreselijk hectisch soms.”

Queyras speelt de laatste tijd opvallend vaak in Nederland. Na een reeks recitals in vier steden vorige maand, heeft hij volgend weekend in het Amsterdamse Concertgebouw ‘carte blanche’ – behalve het al genoemde sonateprogramma met pianist Tharaud speelt hij nog twee kamermuziekprogramma’s en geeft hij een masterclass voor jong talent. „Moet er een rode draad zijn in de programmering?”, vroeg Queyras het Concertgebouw. Maar dat hoefde niet. Hij lacht. „Ik ben zelf de rode draad.”

De Fransman Queyras (40) – in Canada geboren, in Algerije en de Provence getogen – werd laat tot de cello geroepen. Op zijn negende hoorde hij een even oud jongetje voorspelen tijdens een zomerfestival en herkende ‘zijn’ instrument. „Een onderbuikgevoel. Omdat het vakantie was en ik op zijn vroegst in september met les kon beginnen, liep ik de hele zomer tegen de muren op. Mijn ouders omschreven me als een gekooid leeuwtje.”

Voordat hij zich richtte op zijn solocarrière speelde Queyras elf jaar in het Ensemble InterContemporain van Pierre Boulez. Boulez bezorgde hem in 2002 als dank de Glenn Gould Prize, maar Queyras omschrijft de winst van zijn jaren als specialist in de moderne muziek als ‘veel en veel groter’. „Als lid van het Ensemble had ik dagelijks te maken met levende componisten, hun muziek, wensen en bedoelingen. Ik realiseerde me dat componisten een interpreet echt nodig hebben. Om hun muziek überhaupt tot klinken te brengen, maar ook om haar – door haar te spelen en ermee te experimenteren – tot leven te wekken. Het klinkt misschien raar, maar daardoor nam mijn bevangenheid jegens de Grote Meesters af. Ik weet nog steeds wel dat Casals, Bijlsma en Rostropovitsj prachtige uitvoeringen van alle grote repertoirestukken op hun naam hebben staan, maar anders dan vroeger zie ik daarin geen reden meer die muziek uit de weg te gaan. Als ík die muziek speel breng ik mijzelf mee. Mijn visie op een overbekend stuk als het Celloconcert van Dvorák is óók het delen waard.”

Queyras studeerde bij verscheidene leraren, maar noemt Tim Eddy, zelf een oud-leerling van Casals, als zijn belangrijkste mentor. „Natuurlijk ben ik door al mijn leraren gevormd, maar Eddy was degene die me echt leerde zingen met mijn rechterhand. Zijn gevoel voor retoriek is enorm. Hij leerde me dat het je streek is waarmee je spreekt, en waarmee je alle zieleroerselen tot uitdrukking kunt brengen. Daarvoor speelde ik gewoon leuk cello.”

Queyras maakte voor Harmonia Mundi verscheidene, veelal bekroonde opnames. Van modern repertoire, maar ook van klassiekers als Schuberts Arpeggione sonate, die in zijn interpretatie opvallend vrij, avontuurlijk en romantisch klinkt. „Vrij? Dat is een fijn woord. Het is de kunst en mijn streven altijd de vrijheid te zoeken om tot een levendige en echt ‘eigen’ interpretatie te komen. ‘Romantisch’ vind ik daarentegen een moeilijker begrip. Veel mensen associëren het met sentimentaliteit, en daar streef ik natuurlijk níét naar.”

Komend najaar verschijnt Queyras’ eerste opname van de Suites voor cello solo van J.S. Bach, gespeeld op een moderne cello. „Geen principiële keuze”, zegt hij. „Ik heb de suites frequent gespeeld in combinatie met nieuwe suites van onder anderen György Kurtág en Jonathan Harvey, wat een modern instrument vereiste. Gelukkig leven we in een tijd waarin alles weer mag. Maar mijn interpretatie is zeker beïnvloed door de authentieke uitvoeringspraktijk. Toen ik 25 was, heb ik een week met Anner Bijlsma doorgebracht in een kasteel nabij Parijs, ook met nog wat andere cellisten. De hele dag en avond waren we bezig met Bach. Dat heeft indruk gemaakt.”

In ‘zijn’ weekend speelt Queyras met musici met wie hij vaak samenwerkt. Met pianist Tharaud maakte hij ook verschillende opnames, met altvioliste Tabea Zimmermann speelt Queyras sinds 2002 in het excellente Arcanto Kwartet. Dat was in februari al te gast in het ‘Weekend met Tabea Zimmermann’ en komt nu dus niet. In plaats daarvan spelen Queyras, Zimmermann en violiste Antje Weithaas een trioprogramma met werk van Kodály, Mozart, Pintscher, Schubert. „Het leuke vond ik vooral dat ik ervoor kon kiezen met mijn meest dierbare collega’s samen te werken”, zegt Queyras. „In de muziek werkt dat raar; de samenwerking is noodzakelijkerwijs zo intensief dat je liefste collega’s ook je vrienden zijn.”

Dat blijkt ook wel uit het feit dat Weithaas en pianist Tharaud in juli ook weer te gast zijn op Queyras’ eigen, volkomen onbekende zomerfestivalletje in zijn ouderlijk dorp Forcalquier in de Provence. Hij begon het als tiener, om ook de bakker en de postbode met muziek in aanraking te laten komen. „Zo’n dorps- annex gezinsevenement is het nog steeds”, zegt Queyras. „Mijn vrouw is mede-artistiek leider, mijn broer speelt viool. Alleen liggen er nu extra kussentjes vooraan bij het podium, omdat we zelf inmiddels allemaal kinderen hebben.”

’Carte Blanche’ voor cellist Jean-Guihen Queyras: 11 t/m 16 mei in het Concertgebouw Amsterdam. Reserveringen: (020)6718345. Kijk voor meer info over Queras op: www.jeanguihen queyras.com