Speuren naar wrakken

Om een vlekkeloze aanleg van de Tweede Maasvlakte te garanderen, heeft het Havenbedrijf Rotterdam een archeologisch bodemonderzoek vlakbij de monding van de Nieuwe Waterweg uitgevoerd.

De zilvervloot is niet aangetroffen. De oogst tot dusver? Het gebruikelijke ‘spul’: scheepsankers en -kettingen, visnetten en een massief blok beton. Maar behalve deze voorwerpen vonden de vier professionele duikers ook een gedeeltelijk boven het zand uitstekend houten geraamte van wat een klein vaartuig bleek te zijn. „Met vlak daarbij een koperen pan, die ons ook kan helpen om de vondst te dateren”, vertelt Abram de Pagter, leider van het projectteam dat de afgelopen weken in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) archeologisch bodemonderzoek deed.

Dat gebeurde in het zeewater, vlakbij de monding van de Nieuwe Waterweg, waar volgend jaar een begin moet worden gemaakt met de aanleg van de Tweede Maasvlakte.

Die veelbesproken uitbreiding-in-zee moet het ruimtegebrek van de Rotterdamse haven opvangen. Volgens de planning zou het eerste schip in 2013 moeten aanmeren bij de landaanwas. Maar zomaar driehonderd miljoen kuub zand – te vergelijken met 250 volle Feyenoordstadions – in zee storten, kan in Nederland niet. ‘Archeologisch waardevolle locaties’ zijn sinds kort officieel beschermd via de zogeheten Malta-wetgeving.

Maar bodemschatten, vlak voor de kust van Hoek van Holland? „Het enige dat wij wisten is dat op die plek ooit twee schepen zijn vergaan: de Cornelia Maersk in 1942 en de South America in 1966”, zegt woordvoerder Sjaak Poppe van het Havenbedrijf. Beide wrakken hebben geen archeologische waarde. Om te voorkomen dat mogelijk aanwezige bodemschatten beschadigd zouden worden bij de ophoging van het bedrijvencomplex (2.000 hectare), bracht het Havenbedrijf de bewuste zeebodem afgelopen najaar driedimensionaal in kaart met behulp van onder meer geluidstechnieken.

Die geavanceerde bodemscan leverde tachtig ‘verdachte locaties’ op. Elf daarvan kregen, na bestudering van de computerbeelden, uiteindelijk het predicaat ‘mogelijk oudheidkundig interessante locaties’. Die zijn onlangs een voor een afgestruind, in samenspraak met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) die het onderzoek begeleidt. Al te hoge verwachtingen had projectleider De Pagter niet, toen zijn team – wegens de stroming alleen bij hoog of laag water – te water ging. „We doen wat we moeten doen, al blijft het natuurlijk altijd wel een beetje spannend wat je aantreft. Onze duikers stonden dan ook te springen.”

Van het aangetroffen scheepje is een houtmonster genomen, dat voor nader onderzoek is overgebracht naar het archeologisch adviesbureau RAAP in Leiden. Daar worden, onder leiding van archeoloog Ivar Schute, de jaarringen bestudeerd om te bepalen uit welke periode het wrak dateert. Pas dan is duidelijk of het vaartuig van archeologische waarde is, bijvoorbeeld omdat er weinig vergelijkbare schepen bekend zijn.

Mochten grote archeologische vondsten uitblijven, dan nog kunnen de bouwers en baggeraars straks niet ongestoord hun gang gaan. „Bij dit onderzoek is alleen gelet op zichtbare obstakels, er is geen gebruik gemaakt van bodempenetrerende technieken”, zegt onderwaterarcheoloog Peter Stassen van RACM. „Het zou best kunnen dat men straks, wanneer de baggerwerkzaamheden beginnen, alsnog op iets van waarde stuit.” In dat geval wordt het object zo snel mogelijk boven water gehaald.

Volgens Stassen herbergen de Nederlandse wateren een schat aan informatie. „De rijkdom van het maritieme erfgoed is groot, zowel in de Noord- als in de Waddenzee, maar we zijn niet bij machte om alles bloot te leggen. Daarvoor ontbreken simpelweg de middelen. We hebben een aanleiding nodig om op onderzoek uit te gaan, zoals in dit geval bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte.”

Ten zuiden daarvan liggen naar verwachting nog meer scheepswrakken in zee. Dat komt omdat de toegang tot de haven van Rotterdam vóór aanleg van de Nieuwe Waterweg (geopend in 1872) liep via wat nu het Oostvoornse Meer en het Brielse Meer zijn. Stassen schat, mede op basis van de Wrakkenkaart van Rijkswaterstaat, dat zowel in de Noordzee als in de Waddenzee „honderden schepen liggen, waarvan zonder twijfel een aantal zeer interessante”.