Saxofonist Moody redt Gillespie-show

Concert: Dizzy Gillespie TM All-Star Big Band. Gehoord: 8/5 Concertgebouw, Amsterdam

Vier trompettisten die zich verdringen om elkaar te overtroeven, dat is spectaculair. Een jonge dame en een oude heer die elkaar verleiden met ‘sklibliadoobop’ en andere onzinteksten, dat is goed voor een gulle lach.

Het paste goed in het eerbetoon gisteren aan trompettist en bandleider John Birks Gillespie (1917-1993) die al jong ‘Dizzy’ werd genoemd omdat hij erg van spektakel en geintjes hield. Die voorkeur kwam van pas toen hij in de zomer van 1946 een stoutmoedige poging deed de nieuwe bebopstijl toe te passen met een bigband. Het leidde tot opnamen die ook nu nog verbazen, maar Gillespie moest al snel ervaren dat het concept alleen te slijten was via koppelverkoop. Kunst en flauwekul in één pakket, met als hoogtepunt het knetterend virtuoze Things to come en als absolute downer You stole my Wife, you Horsethief.

Toen de bebop was uitgewoed moest Gillespie het doen met kleine bands. Een bigband formeerde hij in 1956 toen de overheid hem om zijn entertainerskwaliteiten vroeg voor een goodwill-tournee door Iran, Libanon, Syrië, Pakistan, Turkije en Latijns-Amerika.

Toen Gillespie in 1993 overleed had hij zichzelf al zo vaak herdacht, dat een revivalorkest overbodig leek. Een paar mensen oordeelden echter anders, met als resultaat The Dizzy Gillespie All-Star Big Band die de naam zelfs als handelsmerk deponeerde.

Niet leider/dirigent Slide Hampton met zijn onbegrepen grapjes bepaalde in het Concertgebouw de show, maar saxofonist/zanger James Moody (82). Speelde die slecht, zoals voor de pauze in Con Alma, dan leek het hele orkest in de vernieling. Was hij scherp, zoals in het aan hem opgedragen Moody’s Groove, dan leek het hele orkest op te leven.

Dat de band na de pauze meer overtuigde was behalve aan Moody’s herwonnen levenskracht te danken aan Roberto Gambarini, die in Blue ’n Boogie heel aardig bleek te kunnen scatten. Ook in het meezingen met de blaaspartijen deed deze jonge Italiaanse het zo goed dat ze zich eens aan moderner repertoire zou moeten wagen.

Dat als slot was gekozen voor Things to come was verheugend, temeer omdat vier trompettisten daarin mochten proberen de toekomst te schetsen. Speciale gast Roy Hargrove leek merkwaardig genoeg vooral op Roy Eldridge, Gillespie’s jeugdidool, Claudio Roditi en Gregory Gisbert speelden vaardig en alleen Frank Greene bereikte de stratosfeer.