Politieke boycot van Taiwan is achterhaald

Taiwan wordt uitgesloten van de Wereld Gezondheids Organisatie. Met als gevolg onnodige doden. Deze boycot moet afgelopen zijn, zegt Willem Offenberg.

Op 14 mei begint de WHO in Genève aan de jaarlijkse Assemblee. Taiwan zal louter de openbare plenaire zitting mogen bijwonen, vanaf de publieke tribune, dus niet als officiële delegatie. Dat is al zo sinds 1972, toen de volksrepubliek de zetel ‘China’ opeiste in de Verenigde Naties. Vanaf die tijd is Taiwan van veel internationaal overleg buitengesloten. China’s ‘vreedzame opkomst’, zoals Peking het ontwaken van de Rode Draak afficheert, heeft geleid tot een ‘één-China’-beleid, nagenoeg in de hele internationale gemeenschap.

Feitelijk resulteert het in een politieke boycot van Taiwan, zij het een gedifferentieerde. Zo is Nederland nog steeds Taiwans grootste Europese investeerder. De KLM vliegt nog steeds op Taipei. Handel is dus toegestaan, maar politieke contacten niet.

Dit heeft allerlei gevolgen. Zo wordt Taiwan uitgesloten van samenwerking op medisch gebied. Er worden geen medische gegevens uitgewisseld, het wordt uitgesloten van internationale waarschuwings- en controlesytemen voor epidemische ziekten en van de expertise van de Wereldgezondheidsorganisatie.

In 2005 heeft de Volksrepubliek dit isolement geformaliseerd in een geheim Memorandum of Understanding met de WHO. Daarin staat dat elk contact tussen de WHO en Taiwan – in China’s ogen een ‘afvallige provincie’ – via Peking moet verlopen. Bij plotseling uitbreken van een epidemie op het vasteland van China, zoals vogelgriep, kunnen trage bureaucratische molens en een notoir gebrek aan transparantie levens kosten. Zo duurde het maanden voordat China de ware omvang van de SARS-epidemie openbaarde. In Taiwan had SARS voor 73 mensen fatale gevolgen in de periode maart-mei 2003. De voornaamste oorzaak was een gebrek aan betrouwbare informatie.

De geheime overeenkomst tussen de Volksrepubliek en de WHO, sinds januari geleid door de Hongkong-Chinese Margaret Chan, leidt tot grote misverstanden. De WHO hanteert een kaart van China waarop Taiwan als onderdeel van de Volksrepubliek staat ingekleurd. Wie op de site van de WHO zoekt naar gegevens over de recente vogelgriepepidemie krijgt daardoor de indruk dat ook Taiwan is besmet. Taipei heeft de WHO verzekerd dat dit absoluut niet het geval is. Maar zolang Peking de epidemie niet onder controle krijgt, lijkt uitbreiding van de ziekte richting Taiwan een kwestie van tijd. Vogelgriep kan gemakkelijk worden overgebracht via smokkelroutes van en naar Taiwanese eilanden voor de kust, waar intensief pluimvee wordt verhandeld. De Nederlander Henk Bekedam, regionaal vertegenwoordiger Azië van de WHO in Peking, heeft hiervoor herhaaldelijk gewaarschuwd. Sinds vorig jaar kampt de Volkrepubliek bovendien met een schrikbarende toename van hondsdolheid. Die heeft tussen januari en augustus 1.735 Chinezen het leven gekost.

De medische noodzaak om Taiwan intensiever te betrekken bij de bestrijding van ziekten is dus evident. De reden waarom dit niet gebeurt is zuiver politiek van aard. Het belang van economische betrekkingen met de opkomende reus heeft de overhand. Al jaren onderscheidt het China-beleid van Den Haag zich door grote prudentie. Daar was ooit reden toe. Eind jaren tachtig raakten de relaties met Peking ernstig verstoord door een mogelijke leverantie van duikboten aan Taiwan. In 1995 werd dat gevolgd door een slecht voorgekookt Nederlands initiatief om in EU-verband China te berispen in de VN-Commissie Mensenrechten. Dit faalde jammerlijk door een hopeloos gebrek aan consensus in de EU. Het leidde, weliswaar tijdelijk, tot eenzijdige bevriezing door Peking van economische contacten. Sindsdien loopt Den Haag op kousevoeten.

Het nieuwe kabinet beoogt een volwassen buitenlandbeleid samen met de partners in de EU. Daaronder wordt verstaan een aanvaardbare balans tussen economische belangen en de historische waarden waar Nederland zich op laat voorstaan. Zo’n balans noopt ook tot een evenwichtiger kijk op de kwestie-Taiwan. Want behalve morele en medische gronden bestaan er nog andere rededen om Taiwans toelating tot de WHO te bevorderen.

De stuitende WHO-boycot is bovenal inconsequent. Een paar gebouwen verderop in Genève, waar 150 landen in WTO-verband vergaderen over wereldhandel, is Taiwan samen met de Volksrepubliek wel toegelaten als volwaardig lid (met de cryptische naam Chinees Taipei). Ook mag Taiwan onder die noemer meedoen aan de Olympische Spelen in Peking volgend jaar. De facto vaart het land een eigen koers. Heel eigenzinnig heeft Taipei Peking onlangs verboden de Olympische fakkel over het eiland te dragen, omdat de uitgestippelde route, via Vietnam direct naar Chinees Hongkong en Macao, de indruk kan wekken dat Taiwan deel uitmaakt van Chinees grondgebied.

Taiwan is ook lid van het samenwerkingsverband rond de Stille Oceaan, de APEC (met onder meer China, de VS, Rusland en Japan) en van de Aziatische Ontwikkelingsbank. Waarom moet het land dan wel ontbreken in de WHO, een organisatie die opkomt voor het universele recht op gezondheid? Reeds in november 2005 heeft de Tweede Kamer opgeroepen tot toelating van Taiwan tot de WHO. Het is tijd die motie uit te voeren.

Willem Offenberg is journalist en consultant in China.