‘Kabinet zit met jeugdbeleid op verkeerde spoor’

Is de verkokering van ministeries op het terrein van jeugdbeleid opgeheven met de benoeming van minister Rouvoet? Nee, zegt Steven van Eijck.

Op het ministerie van Justitie in Den Haag zitten ambtenaren die niet onder Justitie-minister Ernst Hirsch Ballin (CDA) vallen. Zij houden zich bezig met gezinsvoogdij en jeugdbescherming. Een flink eind verderop – bij het Haagse station Laan van Nieuw Oost Indië – zit een aantal ambtenaren op het ministerie van Sociale Zaken die niet onder minister Piet Hein Donner (CDA) vallen. Zij werken aan plannen voor een kindgebonden budget. Beide groepen ambtenaren vallen onder de verantwoordelijkheid van een andere bewindsman die in een ander departement huist: André Rouvoet (ChristenUnie), minister voor Jeugd en Gezin, gezeteld bij Volksgezondheid.

Het schetst in een notendop het risico dat André Rouvoet loopt: mooie plannen en ambities, maar geen ambtenaren bij de hand om ze uit te voeren. Rouvoet is de enige minister die niet al zijn ambtenaren bij elkaar heeft zitten op zijn eigen departement.

Nog lastiger is het dat Rouvoet niet over alle kind-gerelateerde dossiers gaat. Steven van Eijck, voormalig commissaris jeugd- en jongerenbeleid, is daarom somber over de mogelijkheden die Rouvoet heeft om het jeugdbeleid krachtig aan te pakken. „De schotten worden weer opgetrokken, je ziet dat iedereen weer probeert terrein te winnen.”

Sinds de alarmerende berichten over Savanna en het Maasmeisje, de lange wachtlijsten in de jeugdzorg en het hoge Nederlandse cijfer van kindermishandeling, is iedereen het er wel over eens dat kinderen adequate hulp moeten krijgen. Maar het kabinet zit met de huidige organisatie helemaal op het verkeerde spoor, meent Van Eijck. „Bewindslieden moeten de moed hebben om nu nog de kaarten opnieuw te schudden. Grootmoedig zijn en taken afstaan aan minister Rouvoet. Dat is een heel heftig advies, maar wel in het belang van het kind. Er is een nieuw constituerend beraad nodig, een herschikking van taken, zodat er een concentratie van jeugdbeleid plaatsvindt. Dit moet opgelost worden voordat het kabinet écht aan de slag gaat.”

Van Eijck ziet niet hoe Rouvoet met de hem ter beschikking staande middelen en bevoegdheden, eenheid in het jeugdbeleid tot stand kan brengen. Rouvoet, de eerste minister voor Jeugd en Gezin ooit, is daar wel voor aangesteld. Kan de nieuwe programmaminister die een eigen begroting heeft van 6 miljard euro (waarvan 400 miljoen voor nieuwe initiatieven) dat verwezenlijken? Van Eijck: „Om verbeteringen tot stand te brengen moet je uiteindelijk niet meer dan drie ministers hebben die zich met jeugdbeleid bezighouden: op Gezondheidzorg, Onderwijs en Justitie. Dit kabinet heeft ervoor gekozen om zeven ministers over jeugd te laten gaan, de minister van Financiën meegerekend. Dat is nog méér dan voorheen en dan vraag je om moeilijkheden.”

Rouvoet dreigt bijvoorbeeld te botsen met Ella Vogelaar, programmaminister voor Wonen, Wijken en Integratie: „Tussen die twee zit een spanningsveld. Vogelaar is aangesteld voor de integratie en wijkaanpak. En dat is nu juist de plek bij uitstek waar de problemen van jongeren plaatsvinden. Zij moeten tot een hele goede afstemming komen.”

Van Eijck spreekt uit ervaring. Nadat hij in 2002 enkele maanden staatssecretaris van Financiën was namens de LPF (waar hij geen lid van was), werd hij in 2004 door het kabinet benoemd als Commissaris Jeugd- en jongerenbeleid en hij leidde de Operatie Jong. Dat samenwerkingsverband van de ministeries van VWS, OCW, Justitie, SZW en BZK, VROM en Financiën was bedoeld om de eenheid in het jeugdbeleid te versterken.

Naast de interne spanningen in het kabinet ziet Van Eijck ook een spanningsveld tussen Rouvoet en de gemeenten. Veel gemeenten hebben een wethouder jeugd en gezin. Die staat het dichtst bij de moeilijke kinderen, en gaat straks over de Centra Jeugd en Gezin die in elke wijk van de stad en in elk dorp moeten verrijzen. In die centra moeten alle jeugdorganisaties samen gaan werken en zo vroeg mogelijk problemen signaleren bij gezinnen en kinderen.

Het zijn die door Van Eijck voorgestelde Centra voor Jeugd en Gezin die Rouvoet tot hét speerpunt van zijn beleid heeft gemaakt. „Lokale wethouders gaan over het speerpunt van de minister”, zegt Van Eijck. „Rouvoet zou zichzelf over vier jaar als coördinerend minister overbodig moeten maken. Jeugdbeleid is namelijk uiteindelijk lokaal beleid.”

De voormalige jeugdcommissaris adviseerde ook een sterke reductie van het aantal organisaties dat zich met de jeugd bezighoudt. „Met de Centra voor Jeugd en Gezin komt er een zware laag bij. De taken van de provinciale bureaus Jeugdzorg, die kampen met lange wachtlijsten en doorlooptijden, worden hier voor een belangrijk deel naar overgeheveld.”

Van Eijck zou willen dat provincies binnen vier jaar hun verantwoordelijkheden voor de jeugdzorg en het daarbij behorende budget (11 miljard) afstaan aan de gemeenten. „Hun betrokkenheid is een politieke weeffout, de provincies en gedeputeerden staan te ver van de burger.”

Op de vraag of hij er echt in gelooft dat de net aangestelde bewindslieden nu nog bereid zijn macht af te staan, zegt Van Eijck: „Er is geen alternatief. De burgers pikken het niet meer. Zoveel mensen hebben er de afgelopen jaren op aangedrongen om het anders te organiseren. Laat het kabinet daar die 100 dagen voor benutten. Misschien is het wel zo dat die politici er gewoon voor ons zijn.”