‘Geschiedenismuseum moet gezinsuitje zijn’

Minister Plasterk (Cultuur) maakte gisteren een tocht langs Amsterdam, Arnhem en Den Haag, de steden die strijden om het Museum voor Nationale Geschiedenis.

Lunchpakketten, met ansichtkaarten van oud Arnhem, voor minister Plasterk en zijn gevolg bij hun bezoek aan het Openluchtmuseum in Arnhem. Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland, Arnhem, 08 -05-2007 Het Nederlands Openluchtmuseum Cultuurminister Ronald Plasterk heeft Arnhem gevraagd snel een voorstel te doen voor de huisvesting van een Nationaal Historisch Museum. Plasterk wil dat het Nationaal Historisch Museum 'aansluit bij bestaande instellingen en activiteiten die de geschiedenis van Nederland vertellen'. In Arnhem kan het niettemin aanhaken bij het Nederlands Openluchtmuseum, een nationaal historisch museum op volkskundig gebied. De 'winnende' gemeente kan 12 miljoen euro van het Rijk tegemoet zien. Lunchpakketten voor minister Plasterk en zijn gezelschap tijdens het bezoek van de Minister aan het Openluchtmuseum. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Om kwart voor twaalf vegen twee medewerkers van het Arnhemse Openluchtmuseum de laatste bladeren voor de entree weg. Bij een schoonheidswedstrijd moet de kandidaat er immers onberispelijk uitzien. Een uur later arriveert een ontspannen minister van OCW, Ronald Plasterk.

Het lijkt hem wel wat, Arnhem als vestigingsplaats voor het nog te bouwen Museum voor Nationale Geschiedenis. „Een echt gezinsuitje. Eerst naar het Openluchtmuseum, dan pannenkoeken eten en dan naar het geschiedenismuseum.”

Gisteren trok Plasterk langs de drie steden die in aanmerking komen voor dit museum: Amsterdam, Arnhem en Den Haag. Tot ongenoegen van Den Haag, dat door het vorige kabinet tussen de regels door was beloofd het museum te mogen huisvesten. „Dan kun je zeggen: dat is onfatsoenlijk, of je kunt de concurrentie aangaan. Wij hebben voor dat laatste gekozen”, aldus de Haagse burgemeester Wim Deetman.

Dat Plasterks toer begint bij het Openluchtmuseum in Arnhem is een opmerkelijke keuze. Directeur Jan Vaessen uitte eerder immers hevige kritiek op het plan voor een museum voor de nationale geschiedenis van Nederland. „Cultuur is bouwen, niet (...) aan versteende voorzieningen maar aan het samenleven in Nederland”, betoogde hij in deze krant.

Van enig voorbehoud is bij de directeur nu niets te merken. Vol vuur lanceert Vaessen zijn idee voor een ‘volks’ museum, „waar de geschiedenis van de mensen en het land wordt verteld”. Daar hoort ook een nieuw gebouw bij. Kosten: 50 miljoen euro.

„Ik vreesde een eenzijdige weergave van de geschiedenis, met alleen politieke hoofdfiguren en -momenten”, zegt Vaessen na afloop van zijn presentatie. „Die angst is weggenomen. En ja, dan moet je zo’n museum ook ergens kwijt.”

Eigenlijk lanceert hij twee ideeën. In het eerste wordt het toekomstige museum verdeeld over de drie steden. Maar dat plan wordt door Plasterk, terug in het toerbusje, meteen van de hand gewezen. „Provinciaalse bescheidenheid”, noemt hij het. „Ik zie Amsterdam nog geen plan indienen waarin ze een deel van het museum aan Arnhem en Den Haag geven.” In het tweede plan krijgt Arnhem simpelweg het Museum voor Nationale Geschiedenis.

In Amsterdam, waar de minister later op de dag arriveert, heerst een andere sfeer. Het kan niet anders dan dat Amsterdam het museum krijgt, betoogt de wethouder van Cultuur, Carolien Gehrels. Immers, van de vijftig ‘vensters’ in de historische canon spelen 26 zich af in Amsterdam. De locatie heeft de wethouder ook al in gedachten; aan de oostzijde van het Museumplein. Bijvoorbeeld – ze wijst – in dat rode bakstenen gebouw. „Cor van Zadelhoff zegt dat het niet te koop is, maar als iemand weet dat alles te koop is, dan is het Cor van Zadelhoff”, grapt ze.

„Amsterdamse lef”, betitelt de minster terug in het busje het optreden van Amsterdam.

Den Haag, de laatste stop in de toer, is het verst met de plannen – men heeft er ook het langst over kunnen nadenken. Het museum krijgt in Den Haag een nieuw onderkomen aan het Spui, tegenover het stadhuis, niet ver van de Tweede Kamer.

Dat Arnhem en Den Haag er veel aan gelegen is het museum binnen te halen, is ook op een andere manier duidelijk. Zowel burgemeester Krikke van Arnhem als burgemeester Deetman van Den Haag maakt er geen geheim van te willen meebetalen aan het nieuwe onderkomen. Al wil de Haagse burgemeester geen bedrag noemen: „Ik laat mij niet verleiden tot een financiële race met welke gemeente dan ook.”

Amsterdam wil vooralsnog niets betalen. Gehrels benadrukt in haar plan dat het Nationaal Historisch Museum een ríjksmuseum is. Maar Arnhemmer Krikke weet, evenals haar Haagse collega, dat wie mooi wil zijn, pijn moet lijden – in dit geval in de portemonnee.