Amerikaans museum wil claimverbod

Amerikaanse musea vragen de rechter een verbod op claims op ‘oorlogskunst’. Dat roept vragen op over de Nederlandse teruggave van de collectie-Goudstikker.

Een Amerikaanse rechter moet een uitspraak doen in de juridische strijd tussen Goudstikker-erfgename Marei von Saher en het Norton Simon museum in Californië over een tweeluik met Adam en Eva door Lucas Cranach de Oude. Na de restitutie van 202 schilderijen door Nederland heeft Von Saher aangekondigd door te gaan alle kunstwerken uit het befaamde zwarte boekje van haar schoonvader, kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940), terug zijn. Opmerkelijk is dat niet de erfgename maar het museum de rechter inschakelt. Het Norton Simon verzoekt een federale rechter te bepalen dat het „de enige rechtmatige eigenaar” is van het tweeluik.

Het museum wil ook een verbod van juridische procedures door Von Saher over de Cranachs. Op haar beurt heeft Von Saher de rechter gevraagd de panelen aan haar toe te wijzen, maar het initiatief is ze kwijt. Er is een precedent. Het Toledo Museum of Art ging vorig jaar naar de rechter voor een verklaring van eigendom van het schilderij Straat in Tahiti van Paul Gauguin plus een verbod van een terugvorderingsactie door erfgenamen op grond van de herkomst als ‘oorlogskunst’. Het museum had het stuk in 1938 in Zwitserland verworven van een uitgeweken joodse verzamelaar. Op 28 december wees een federale rechter in Ohio het verzoek van het museum toe. De familie had na de oorlog eerder bezwaar kunnen maken en de claim is nu verjaard.

Het argument dat het te laat is, speelt ook een rol in de Cranach-zaak. De panelen uit de collectie-Goudstikker zijn door Nederland in 1966 gerestitueerd aan de Russische familie Stroganoff, die zei na de revolutie daarvan beroofd te zijn (hetgeen Von Saher overigens betwist). Stroganoff verkocht ze in 1970-1971 aan het museum dat nooit een geheim heeft gemaakt van dit bezit. Toch klopte Von Saher pas na dertig jaar aan. Zowel de weduwe van Goudstikker als haar zoon, de echtgenoot van Von Saher, die beiden overleden zijn, hadden de zaak laten rusten. Deze omstandigheid speelde geen rol in het advies van de Nederlandse Restitutiecommissie tot teruggave van 202 werken. In de VS zou dat afgaande op de Gauguin-zaak anders kunnen zijn, hetgeen pikant is omdat juist uit de VS druk is uitgeoefend op Nederland tot teruggave van de Goudstikker-collectie met voorbijgaan aan verjaring.

De rechtszaak in Californië stelt een essentieel onderdeel van de Nederlandse teruggave op scherp: de schikking (‘dading’) die de weduwe-Goudstikker in 1952 trof waardoor de collectie-Goudstikker Nederlands staatsbezit werd. Zo’n dading heeft dezelfde rechtskracht als een rechterlijk vonnis: een streep onder de hele zaak. De Restitutiecommissie weet dat zoiets niet kan worden opengebroken.

De commissie maakte echter een onderscheid tussen het deel van de collectie-Goudstikker dat na zijn dood in mei 1940 werd overgenomen door de dubieuze Duitse kunsthandelaar Miedl en de partij die werd doorverkocht aan topnazi Hermann Göring. Volgens de commissie had de afstand van mevrouw Goudstikker slechts betrekking op het deel-Miedl, dat niet kon worden teruggedraaid, en niet op het pakket-Göring – zodat dit alsnog kon worden teruggegeven.

De tekst van de dading bevat echter een clausule waarin Miedl en Göring in één adem worden genoemd, zodat de afstand voor beide transacties geldt. En de omstreden Cranachs vielen nu juist in het pakket van Göring. Voor de teruggave van de Goudstikker-collectie door Nederland is dit niet van direct belang. De regering had toch al bezwaren tegen het rapport van de Restitutiecommissie en besloot op eigen „bijzondere moreel-beleidsmatige” gronden tot teruggave. Dat is op zichzelf een verdacht vage motivering voor zo’n gewichtige beslissing.

Als de Amerikaanse rechter zou concluderen dat de Cranachs het rechtmatig eigendom van het Norton Simon museum zijn, versterkt dat de vraag met welk recht Nederland besloot tot teruggave van ons openbaar kunstbezit.