Wat heb je aan zo’n diploma?

Een vmbo-diploma biedt onvoldoende niveau voor succes op de arbeidsmarkt, vindt de overheid.

Toch moet het diploma niet worden afgeschaft.

Het vmbo-diploma telt niet als ‘startkwalificatie’ en geeft geen recht op een uitkering of andere sociale voorzieningen. Foto Joyce van Belkom Naaldwijk, 17-02-2005 Lerares Jaqueline haalt twee leerlingen uit elkaar tijdens de biologieles. VMBO Holland College. © Joyce van Belkom Belkom, Joyce van

Je zou kunnen zeggen: het vmbo-diploma stelt niets voor.

Tenminste, dat is eigenlijk wat het ministerie van Onderwijs zegt. Het ministerie betitelt jongeren die uitsluitend een vmbo-diploma hebben als ‘voortijdig schoolverlaters’. Het vmbo-diploma telt niet als ‘startkwalificatie’, het niveau dat een scholier minimaal moet hebben om succesvol te kunnen opereren op de arbeidsmarkt (zie inzet).

Het vmbo-diploma geeft bovendien geen recht op een uitkering of andere sociale voorzieningen. „De boodschap die overal uitgedragen wordt is dat het vmbo niets voorstelt. Nederland doet daar zelf aan mee”, zegt voorzitter Sjoerd Slagter van de vereniging van schooldirecteuren in het voortgezet onderwijs.

Met deze sombere constatering doen over twee weken 115.000 vmbo’ers eindexamen – meer dan de helft van alle examenkandidaten. Doen ze voor spek en bonen examen?

Eigenlijk wel, zegt Slagter. „Vmbo-scholieren wéten dat ze nog doormoeten naar het mbo. Bovendien is het vmbo veel te weinig toegesneden op het beroep waarvoor de jongeren zich op het mbo gaan scholen.”

Begrijp hem niet verkeerd, Slagter vindt de „ambitie” die Nederland heeft om jongeren minimaal een startkwalificatie te laten halen „natuurlijk heel erg goed”. Jongeren die dat niveau niet halen, komen waarschijnlijk eenvoudig aan het werk als ze 18 zijn. Maar als ze 22, 23 zijn, worden ze te duur en door werkgevers ingeruild voor jongere krachten. Niet voor niets is in deze kabinetsperiode de leerplicht verlengd van 16 tot 18 jaar. Jongeren die nog geen startkwalificatie hebben, moeten tot hun 18de proberen die te halen.

Maar, zegt Ben Rijgersberg, het gaat te ver om dan maar meteen alle jongeren die dat niet halen te betitelen als uitvallers. Hij is directeur van Colo, de vereniging van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, die onder meer de programma’s opstellen van alle mbo-opleidingen en zorgen voor de erkenning van stageplekken. Rijgersberg noemt de scheiding tussen scholieren met en zonder startkwalificatie, een „volkomen misplaatste manier om vmbo-scholieren te stigmatiseren”. „Terwijl het gaat om 60 procent van alle scholieren in het voortgezet onderwijs! Zelfs scholieren die halverwege het mbo overstappen naar een andere richting, en dus nog op school zitten, betitelen we als ongekwalificeerde uitval. Ik vind dat je zulke etiketten niet kan opplakken op zo veel jongeren.”

Moet het vmbo-diploma dan maar worden afgeschaft, omdat het jongeren alleen maar lastigvalt op weg naar het mbo?

Nee, dat willen Slagter en Rijgersberg nu ook weer niet. Datzelfde zeggen Achmed Sadat, voorzitter van de JOB, de vakbond voor mbo-scholieren, en Staf Depla, Tweede Kamerlid voor de PvdA. Vmbo-scholieren met een diploma kunnen laten zien dat ze iets hebben bereikt, zeggen ze allemaal. Daarnaast: met dat papiertje kun je laten zien wat je kunt, en waar je goed in bent, zeggen zij. Vervolgens kan het mbo ermee verder.

„Leraren, decanen en schoolbesturen in het mbo moeten weten welk niveau een vmbo’er heeft gehaald”, zegt Sadat. „Zodat ze kunnen bepalen op welk niveau een scholier op het mbo kan instromen.” „Zie het vmbo-diploma als een zwemdiploma A”, zegt Staf Depla van de PvdA. „Met diploma A kun je je redden in het water, maar zonder A kun je geen B halen. En met A alleen ben je niet veilig genoeg.”

Dus niet afschaffen, het vmbo-examen. Los liever het imagoprobleem van het vmbo op, zegt René Verhulst, directeur bedrijfsvoering bij de Universiteit van Amsterdam. Als wethouder Onderwijs in Utrecht maakte hij mee dat in 2003 het Niels Stensen College moest sluiten omdat de school te veel ‘verzwartte’. Veel ouders hebben nog steeds dát beeld bij het vmbo, zegt hij. Van grote onoverzichtelijke leerfabrieken waar scholieren, de meesten van allochtone afkomst, amper weten wat het diploma voorstelt. Wat je dus moet doen, zegt hij, is veel duidelijker laten zien dat het vmbo-diploma belangrijk is om op het mbo te komen.

Dat kan door het vmbo-examen te verzwaren waar het kan, vinden Verhulst en alle andere ondervraagden. Nu is het nog zo dat een scholier op het vmbo een niveau kiest en op dat niveau alle vakken afrondt. Terwijl hij sommige vakken misschien wel op een hoger niveau zou willen doen, of juist op een lager niveau. „Scholieren moeten verschillende vakken op verschillende niveaus kunnen doen”, vindt Staf Depla. Dat vraagt enorm veel van scholen en docenten. Maar daarmee kunnen scholieren wel laten zien waar ze echt goed in zijn, vindt hij. Wat verder kan, is scholieren naast het vmbo-examen extra bijscholen in bepaalde vakken. Zodat ze deelcertificaten kunnen halen waarmee ze een extra toegang tot het mbo kunnen creëren, vindt Sadat.

Ben Rijgersberg van de kenniscentra van het bedrijfsleven heeft een ander idee. Hij zegt: „Noem alle scholieren in het beroepsonderwijs gewoon mbo’ers. Dus ook de vmbo-scholieren.”

Dan wordt het één opleiding met na vier jaar een tussenexamen. „Dat is natuurlijk heel lastig voor ambtenaren te organiseren, omdat het vmbo nu nog onder de directie voortgezet onderwijs van het ministerie van Onderwijs valt, en het mbo onder de directie beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Maar er staat nergens dat het niet mag. Volgens mij kunnen we daar morgen mee beginnen.”