Verkoop LaSalle terecht niet voorgelegd

De VEB heeft succes gehad met zijn verzoek aan de Ondernemingskamer om maatregelen te treffen tegen de verkoop van Bank LaSalle door ABN aan Bank of America. De Ondernemingskamer heeft de uitvoering van deze overeenkomst opgeschort. Volgens de Ondernemingskamer moest deze verkoop eerst aan de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van ABN worden voorgelegd.

Echter, de verkoop van een dochteronderneming behoeft slechts aan de ava te worden voorgelegd wanneer de dochter een waarde heeft van ten minste een derde van de activa van de moedervennootschap. Dat heeft LaSalle bij lange na niet, en daarom heeft ABN zich niet gehouden geacht om deze verkoop voor te leggen aan de ava. Maar volgens de VEB en de Ondernemingskamer is de verkoop van LaSalle een zet geweest op het schaakbord van de overnamestrijd van ABN Amro zelf, en daarom was de goedkeuring van aandeelhouders ook voor de verkoop van bank LaSalle vereist.

Toch wekt de uitspraak verbazing. Het ontbreken van de goedkeuring van de ava tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur en dus de rechtsgeldigheid van de deal niet aan (2:107a lid 2 BW). Reeds hierom kon de Ondernemingskamer de voorgenomen deal niet verbieden. Bovendien is de vraag of de Ondernemingskamer de macht van de aandeelhouders niet te ver laat doorschieten. Volgens de Memorie van Toelichting op artikel 107a ”kan in tijden van overnameactiviteiten de vennootschap niet voortdurend worden verplicht de ava bijeen te roepen”. De gang van zaken bij Stork heeft geleerd dat de stemming op de ava niet wordt bepaald door `de aandeelhouders` maar door de aandeelhouders die op de ava aanwezig zijn. En dat zijn vaak alleen de activisten.