Onvoorspelbaar en inzichtelijk

Historicus Saul Friedländer schreef een tweedelige studie over de Holocaust.

„Er was wel samenhang, maar geen masterplan voor de jodenvervolging.”

„Soms is het beter niet te veel woorden te gebruiken, maar de getuigen van de jodenvervolging voor zichzelf te laten spreken.” Historicus Saul Friedländer geeft een voorbeeld uit zijn onlangs gepubliceerde The Years of Extermination, het tweede en laatste deel van zijn studie Nazi Germany and the Jews. Emanuel Ringelblum, chroniqueur van de ondergang van het getto van Warschau, schrijft op 10 mei 1941 hoe Duitse toeristen zich vergapen aan de slachtoffers: ‘De meeste van hen tonen in het geheel geen medelijden met de joden. Integendeel, sommige van hen schijnen van mening, dat het sterftecijfer onder de joden te laag is. Anderen maken allerlei foto’s. De schuur waarin overdag talloze lijken liggen, die erop wachten om ’s nachts begraven te worden, is uitzonderlijk geliefd.’

„Het zijn de details in dergelijke getuigenissen”, zegt Friedländer, „die vorm geven aan het ongeloof dat we ervaren als we met de Shoah worden geconfronteerd. De stem van de getuigen snijdt door de zelfvoldaanheid van de historicus, die de geschiedenis nu eenmaal, als het ware, moet temmen. Maar de geschiedenis van de massamoord op de Europese joden laat zich niet beschrijven als business as usual. Je kan niet voorbijgaan aan het onbevattelijke ervan. Dat is wat ik met dit boek beoogd heb: de Holocaust zo te beschrijven, dat de geschiedenis inzichtelijk wordt gemaakt zonder het onvoorstelbare ervan teniet te doen.”

Net als het eerste deel van Nazi Germany and the Jews, over de periode van Hitlers machtsgreep in 1933 tot het uitbreken van de oorlog in 1939, dat tien jaar geleden uitkwam en met een aantal grote prijzen werd bekroond, is ook het tweede deel met grote waardering en bewondering ontvangen. Meer nog dan het eerste deel, maakt dit tweede deel indruk door de stemmen van de getuigen die het verhaal van de Holocaust vertellen.

Voordat Friedländer dit boek kon schrijven, moest hij eerst greep krijgen op zijn eigen verleden. In 1978 publiceerde hij in het Frans zijn herinneringen aan zijn kindertijd, Quand vient le souvenir, waarin het gefragmenteerde karakter van de tekst de breuken in zijn bestaan weerspiegelde. Hij werd geboren in 1932 in Praag, als zoon van een verzekeringsklerk. Zijn voornaam luidde toen nog Pavel. Zijn ouders vluchtten in 1939 naar Frankrijk. Toen de nazi’s ook daar doordrongen, brachten zij hun zoon onder in een klooster, terwijl ze zelf probeerden te vluchten naar Zwitserland. Net als vele anderen werden zij aan de Zwitserse grens opgepakt, gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Pas in 1946 hoorde Paul, zoals de katholiek opgevoede jongen nu heette, van hun dood. Hij omarmde het jodendom en het zionisme en vertrok in 1948 naar Israël, waar hij als Shaul meevocht in de Onafhankelijkheidsoorlog. Later ging hij naar de Verenigde Staten, studeerde hij in Genève, en werkte hij, als Saul, in Zweden, Israël en Californië. „Ik had al een paar keer geprobeerd mijn herinneringen op papier te krijgen, maar het lukte me niet, het bleef een dood verhaal. Pas toen ik het opschreef in een brief aan een van de monniken uit het klooster waar ik was opgegroeid, kwam er leven in.”

De vraag naar de betekenis van persoonlijke herinneringen voor geschiedschrijving vormde ook de aanleiding tot zijn nu voltooide studie naar nazi-Duitsland en de joden. In het midden van de jaren tachtig raakte Friedländer in discussie met de historicus Martin Broszat, de toenmalige directeur van het Institut für Zeitgeschichte in München. Broszat had gepleit voor een ‘normalisering’ van het nationaal-socialistische verleden. „Een voorstel dat zijn pendant had in de televisieserie Heimat van Edgar Reitz”, meent Friedländer. „Niet alleen zou de Holocaust een marginale rol in zo’n geschiedenis spelen, maar Broszat beweerde ook dat de herinnering van slachtoffers een ‘mythische herinnering’ was, die een rationele geschiedschrijving in de weg stond. Ik wilde laten zien dat een geschiedschrijving van nazi-Duitsland, met daarin een grote plaats voor de getuigenis van joodse slachtoffers niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk is om het onvoorstelbare karakter van de Holocaust over te brengen.”

Dit uitgangspunt resulteerde in de twee delen van Nazi Germany and the Jews, waarin de beschrijving van het Duitse vervolgingsbeleid wordt afgewisseld met de waarneming en de houding van slachtoffers, omstanders, maar ook van daders.

Er was wel samenhang, maar geen masterplan voor de Holocaust, onderstreept Friedländer. „Ik vat het altijd samen in een formule: zonder Hitler geen Holocaust, maar zonder een bevolking die ontvankelijk was voor zijn ideeën óók geen Holocaust. Er bestond overal in Europa een wijdverbreid antisemitisch gedachtengoed, dat door de propaganda van nazi’s werd uitvergroot. Je kan het zien aan antisemitische propagandafilms als Jud Süss, die grote bijval kregen, maar ook aan de brieven van soldaten, die in hun uiteenzettingen verwijzen naar de rabiate nazikrant Der Stürmer. Er zijn zeker diepere psychologische motieven aan te wijzen voor die opmerkelijke angst voor joden, maar het voortdurende hameren op het gevaar van de joden, werd in de propaganda ook bewust ingezet om de bevolking te mobiliseren. Juist op het moment dat de militaire campagnes vastlopen, aan het eind van 1941, treedt er een enorme radicalisering op in de antisemitische propaganda.

Aan het eind van het boek noemt Friedländer de namen van de joodse getuigen die hij in zijn betoog heeft geciteerd, en die de nazitijd niet hebben overleefd. „Rechtlijnige historici verweten mij dat ik sterk de nadruk legde op het onbevattelijke van de Shoah. Maar ik kan niet anders, misschien omdat ik zelf deel uitmaak van die geschiedenis. Je moet als historicus naar je beste kunnen wetenschappelijk onderzoek doen, maar er is een deel van deze geschiedenis dat zich niet laat bevatten. Het zijn de getuigenissen van de vervolgden die daar stem aan geven.”

Saul Fried-länder: The Years of Exter-mination. Nazi Germany and the Jews, 1939-1945. Harper Collins, 896 blz. € 54,99. De Nederlandse vertaling met het eerste deel van Nazi-Duitsland en de joden verschijnt in september bij Nieuw Amsterdam .

Meer over de discussie tussen Friedländer en Broszat: www.iupress.indiana.edu/journals/history/ham9-12.html