Nederlands koningschap mist grandeur

Beatrix heeft én toegevoegde waarde bij het wetgevingsproces én zij kan door werkbezoeken het symbolische koningschap optimaal invullen, meent Irène Diependaal.

Met de naderende troonsbestijging van prins Willem-Alexander lijkt de discussie over de toekomst van het Nederlands koningschap intensiever te worden. Zie het artikel van Lambert J. Giebels in Opinie & Debat van 28 april. Giebels is vooral bekend van zijn mislukte strijd om documenten in het Koninklijk Huisarchief in te zien. Zijn persoonlijke missie is niet los te zien van zijn pleidooi voor een ceremonieel koningschap naar Zweeds model. Een tikkeltje rancuneus haalt Giebels uit naar schooljuf Beatrix die ‘haar’ bewindslieden ‘examen afneemt’ en zichzelf daarbij op een hoger plan zet. Ministers worden nog altijd behandeld als dienaren des konings en de toegang tot het Koninklijk Huisarchief wordt geweigerd aan iedereen die dergelijk verfoeid koninklijk gedrag aan de kaak wil stellen. ‘Fout’ is de teneur en daarom is een grondwetsherziening nodig om de koningin te depolitiseren.

Een ceremonieel koningschap is geen oplossing voor deze gekrenkte ego’s. Giebels is gespecialiseerd in de verhoudingen tussen koning en ministers in de jaren vijftig. Indertijd was sprake van een formele ondergeschiktheid van de ministers aan de koning(in), terwijl de tijdgeest vroeg om andere omgangsvormen. Dit kwam mede tot uiting in de Greet Hofmansaffaire, de specialiteit van Giebels als historicus.

In de jaren zestig ontstond een brede roep om een grondwettelijke bijstelling van de nieuwe relaties: geen ondergeschiktheid maar een nevengeschiktheid. Decennia van felle discussie en officiële rapportages resulteerden in de grondwettelijke bepaling dat koning en ministers samen de regering vormen. De angel zit in de toevoeging: „de koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk”. Sinds 1983 hebben ministers alle recht om een eventueel (door)drammerige koningin een toontje lager te laten zingen en de nevengeschiktheid om te zetten in een ondergeschiktheid van de koningin.

Juridisch is er dus geen probleem, maar de stroom aan geruchten doet vermoeden dat er een psychologisch probleem is: individuele ministers dúrven de koningin klaarblijkelijk niet te wijzen op de nevengeschiktheid of haar ‘advies’ naast zich neer te leggen. Het lijkt wel alsof een aantal ministers als bange zonen en dochters op de koffie gaan bij de koningin, een dominante en imponerende persoonlijkheid. Bovendien voelen deze ministers zich in deze tijden van politieke instabiliteit ook nog eens belaagd door parlement, pers en electoraat. Het staatsrecht biedt geen oplossing voor dergelijke onzekerheidsgevoelens. De roep om een troonswisseling is waarschijnlijk tekenend voor dit psychologische probleem: de informele en communicatief sterke Willem-Alexander is een totaal andere persoonlijkheid dan zijn moeder en heeft bovendien niet de dienstjaren waaraan Beatrix op dit moment haar overwicht ontleent.

Bovendien haalt Giebels met zijn roep om een ‘ceremonieel koningschap’ een paar dingen door elkaar. Hij stelt dat in Zweden het gedepolitiseerde koningschap is teruggebracht tot een „uitsluitend representatieve en ceremoniële functie”. Alle West-Europese koningen hebben een representatieve functie, maar hun ceremoniële functie is afhankelijk van de omstandigheden en vooral van de historie van het land. Teruggebracht tot representatie en ceremonie zal het Nederlandse koningschap nauwelijks te onderscheiden zijn van een tweederangs republiek. Giebels ziet namelijk over het hoofd dat het koninklijk ceremonieel een resultante is van historische tradities. Zweden kent een veel rijkere monarchale historie dan Nederland, omdat het in de achttiende eeuw behoorde tot de politiek machtigste landen van Europa. Een absoluut koningschap kwam tot uiting in een omvangrijk koninklijk ceremonieel met praalvertoon en grandeur. In heel Europa verdween de autoritaire macht van de koning, maar het ceremonieel bleef (deels) bestaan en kreeg binnen de constitutionele monarchie een andere functie. Als gevolg van de natievorming ontstond namelijk de behoefte aan een samenbindend persoon. De koning met zijn praalrijke ceremonieel bleek uitermate geschikt te zijn om zowel het kristallisatiepunt als gezicht van de natie te vormen. Het koninklijk ceremonieel versterkte de symbolische functie van het koningschap in eigen land en vormde als visitekaartje in het buitenland. Door de koppeling van handelsmissies aan staatsbezoeken wordt dit koninklijke visitekaartje economisch optimaal geëxploiteerd. Deze extra waarde van het koningschap is grotendeels gelegen in de eeuwenoude koninklijke ceremoniële tradities en de sfeer van koninklijk grandeur. Zonder grandeur is een koningin niet veel meer dan een celebrity uit de damesbladen.

Als gevolg van zijn afwijkende geschiedenis heeft Nederland nauwelijks ceremoniële tradities en paleizen met koninklijke grandeur. Koningin Beatrix moet het nu hebben van haar gedegen toespraken want zij heeft weinig koninklijke grandeur te bieden. Onze paleizen zijn goedbeschouwd een geannexeerd stadhuis, een uitgebouwde stadsvilla en wat voormalig jachtverblijven. In en rondom het Zweedse Stockholm staan daarentegen tien paleizen van hoog cultureel niveau en ze zijn geheel of gedeeltelijk open voor het publiek.

Koninklijk ceremonieel praalvertoon is in Nederland beperkt tot Prinsjesdag en de schaal van koetsen en lakeien in livrei steekt magertjes af met gebruiken elders. Ons inhuldigingsceremonieel heeft beslist niet de magnifieke, theatrale aspecten die een koninklijke kroning elders (nog) heeft. De oorzaak moet in het verleden worden gezocht. Koninklijk ceremonieel heeft zijn oorsprong in een autoritair koningschap. Nederland was in de hoogtijdagen van het Europese absolutisme een republiek. Ten tijde van de vestiging van het Nederlandse koninkrijk (1813-1815) was het koninklijk ceremonieel overal op zijn retour en Nederland kreeg een ceremonieel gezien modern koningschap. Koning Willem II (1840-1849) heeft geprobeerd het Nederlands koningschap een uitstraling en grandeur naar buitenlandse maatstaven te geven. Hij deed dit grotendeels op kosten van zijn Russische schoonfamilie en zijn weduwe Anna Paulowna moest een persoonlijk faillissement in de juiste banen zien te leiden. Koning Willem III (1849-1890) had vele (bouw)plannen maar weinig financiële fondsen.

In feite wil Giebels geen ‘ceremonieel koningschap’, maar een zuiver symbolisch koningschap dat bovendien ontdaan is van zijn politiek inhoudelijke aspecten. Hij vergeet dat het mes aan twee kanten snijdt: dankzij de goede voorbereiding heeft Beatrix én een toegevoegde waarde bij het wetgevingsproces én een mogelijkheid om zich via de werkbezoeken het representatieve en symbolische koningschap optimaal in te vullen.

Schrap bovendien een ceremonie als Prinsjesdag en een belangrijk stuk symboliek valt weg. Door in vol ornaat te verschijnen worden namelijk de machtsverhoudingen en het wederzijds respect fysiek uitgedrukt. Vroeger waren parlementaire opening en sluiting een zaak van de koning. Tegenwoordig nodigt de Verenigde Vergadering de koning uit om namens de regering het beleid van het komende jaar uiteen te zetten. Het primaat van het parlement wordt op ceremoniële wijze fraai geïllustreerd in Groot-Brittannië, de moeder van de West-Europese constitutionele monarchie: de letterlijk gekroonde koningin moet op de deur van Hogerhuis kloppen voordat zij mag binnentreden.

Zonder praalrijke ceremonie blijft een symbolisch koningschap over dat weinig appeal zal hebben in binnen- en buitenland. Niemand wordt warm of koud van beelden van koningin Beatrix in de saaie vergaderzaal van de Raad van State. Koninginnedag 2007 stond weer in het teken van de vraag hoe lang we nog naar al dat koekhappen en tobbedansen moeten kijken. Een ceremonieel koningschap is in Nederland een doodgeboren kindje.

Irène Diependaal is historicus en bestuurskundige. Zij werkt aan een proefschrift over de transformaties in de Britse en Nederlandse monarchie.