Nationaal Tourette-syndroom

Tijdens wandelvakanties doe je de gekste plaatsen aan. Het passeren van het piepkleine schattige kerkdorpje Tourette in het zuiden van de Dordogne was aanleiding tot een kinderachtig spelletje: vloekend, tierend, razend en scheldend legden we de paar honderd meter af – niet al te luidruchtig, maar de Bond tegen het vloeken zou er niet blij mee zijn geweest.

Later kwam ik er achter dat dit lieflijke oord niets te maken heeft met het syndroom van Gilles de la Tourette. De neuroloog naar wie de aandoening is genoemd is daar helemaal niet geboren. Bovendien – zo leer je nog eens wat – blijkt het uitslaan van scheld- en schuttingwoorden maar één van de symptomen van de kwaal te zijn. Men noemt dit coprolalie: het onvrijwillig uiten van schokkende, obscene, seksistische of racistische taal.

Dit bracht me, terug in Nederland, op de vraag of we hier sinds enige jaren kunnen spreken van een alomvattende coprolalie waarbij iedereen de aandrang voelt om beurten „Ik zeg wat ik denk!” of juist „Ik word gedemoniseerd!” te roepen.

Het schijnt zo erg te zijn dat het Tweede Kamerlid Aleid Wolfsen (PvdA) een wet bepleit om vast te leggen wie wel en wie niet onbelemmerd mag tieren en schelden. Hij wil in het kader van de vrijheid van meningsuiting een speciale juridische status verlenen aan kunstenaars en opiniemakers. Zoals leden van de Staten-Generaal immuniteit genieten voor alles wat zij zeggen, zo zouden kunstenaars en opiniemakers onschendbaar moeten worden als zij ‘shockeren, verrassen, een spiegel voorhouden’. Een krankzinniger voorstel heb ik zelden vernomen.

Dit impliceert namelijk geen uitbreiding, maar een fatale inperking van de vrijheid van meningsuiting. Wie geen kunstenaar of opiniemaker is, zou niet mogen shockeren, verrassen of een spiegel voorhouden? Ik dacht dat dit recht aan iedereen toekwam. En wie maakt dan wel uit of iemand kunstenaar of opiniemaker is? De vergelijking met de immuniteit van Kamerleden slaat nergens op: hun onschendbaarheid is ooit ingevoerd ter bescherming tegen absolutistische neigingen van de vorst en geldt alleen voor het gesprokene in een zitting van de volksvertegenwoordiging, niet daarbuiten.

Men stelle zich voor dat er een nieuwe strafuitsluitingsgrond komt voor opiniemakers en kunstenaars bij uitingsdelicten als belediging, smaad en laster. Dus naast de medische exceptie (Tourette!) een kunstenaars- en opiniemakersexceptie. Dan wordt vrijheid in het publieke debat gereduceerd tot een bevoorrechte groep deelnemers, die in een artistiek of columnistisch reservaat lekker mogen uitrazen. Zij krijgen in de wet een soort speakers corner toebedeeld, zoals in het Londense Hyde Park, waar iedere gek op een zeepkist alles kan roepen, om meteen in de kraag te worden gegrepen als hij buiten het park zijn woorden herhaalt.

Hallo, hoeveel speakers corners hebben we tegenwoordig op het internet? Volgens het voorstel van Wolfsen zouden de tienduizenden bloggers voortaan allemaal hun brevet van kunstenaar of opiniemaker aan een of ander loket moeten afhalen voordat zij het internet op gaan. Zoiets lijkt me niet alleen onmogelijk, maar ook fundamenteel verwerpelijk. Bovendien hoeft de overheid haar critici dan nog minder dan nu serieus te nemen: laat die kunstenmakers met hun gekkenbriefje maar tieren.

Waar komt toch Wolfsens behoefte aan symboolwetgeving vandaan? Hoeveel kunstenaars en opiniemakers worden er in Nederland vervolgd wegens hun mening? Als het al gebeurt, zoals alweer jaren geleden Parool-columnist Theodor Holman overkwam, omdat hij had geschreven dat alle christenhonden misdadigers zijn, is vrijspraak de enig mogelijke uitkomst. Wie een kunstwerk produceert of een column schrijft, heeft daarmee namelijk een specifieke bedoeling – een artistieke prestatie of een bijdrage aan het openbare debat leveren – die het uitgesloten maakt te bewijzen dat er sprake is van opzet tot beledigen.

Wolfsen, zelf oud-rechter, vertrouwt er kennelijk niet op dat de rechterlijke macht in staat is aanstootgevende uitingen van kunstenaars of opiniemakers in hun context en naar de omstandigheden van het geval te beoordelen. Anders zou hij de rechtspositie van juist deze groepen niet van een speciale bescherming willen voorzien. Mij is echter niets bekend van systematische strafrechtelijke vervolging van beoefenaars van het vrije woord.

Is er dan geen enkel probleem met de vrijheid van meningsuiting? Jawel, maar dat wordt niet veroorzaakt door een te zwakke juridische positie van – bijvoorbeeld – cabaretiers of columnisten. Het probleem zit in de bescherming van de ‘horizontale’ uitingsvrijheid (de relatie tussen burgers onderling). De bezorgdheid van iemand als Afshin Ellian heeft te maken met onvoldoende bescherming tegen bedreigingen door extremisten. Dat lost men niet op met een nieuwe strafuitsluitingsgrond, maar met recht op persoonsbeveiliging van hen die zich door hun deelname aan het publieke debat in gevaar begeven. Dat kunnen evengoed afvallige moslims als kunstenaars zijn.

Hun vrijheid van meningsuiting, of de godsdienstvrijheid en de vrijheid om niet te geloven, wordt niet ‘verticaal’ bedreigd door de wet, zomin als Theo van Gogh of Pim Fortuyn door de wet werd bedreigd. Het gevaar voor de uitingsvrijheid komt van ‘derden’.

Als Wolfsen zich sterk wil maken voor het recht van kunstenaars en opiniemakers onbelemmerd in de openbaarheid te treden, moet hij zich bezighouden met de vraag of de overheid niet tekortschiet in de bescherming van bedreigde personen, dus in haar plicht tot het garanderen van een vrij debat. Dat is heel wat zinniger dan een wet die kunstenaars en opiniemakers gelijk stelt aan ongeneeslijke lijders aan het syndroom van Tourette of aan coprolalie.

Op hetzelfde vlak ligt trouwens de discussie over een wettelijk verschoningsrecht voor journalisten. Terecht is Nederland te klein als door een rechterlijke dwaling, zoals bij de recente gijzeling van twee Telegraaf-journalisten, wordt gemorreld aan de journalistieke bronbescherming. Zo’n dwaling is niet met wetgeving te voorkomen. Opnieuw is hier de vraag: moet de wetgever uitmaken wie journalist is en wie niet? Laat die zaken alsjeblieft over aan de rechter. Doe liever wat tegen het afluisteren van journalisten, de inbeslagname van journalistiek materiaal en kom met een betere bescherming van klokkenluiders.

Dit overdacht ik op 3 mei, de dag van de persvrijheid, toen we Tourette verlaten hadden en weer gewoon konden praten.