Junkproza

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het schrijfwerk van haar leerlingen.

Joyce is dik en blond, Annemieke dun en donker. Na acht lessen kan ik ze nog steeds niet uit elkaar houden. Het komt door hun werk. Ze schrijven hetzelfde proza.

Het begint steevast met een korte vaststelling als: „De tas was weg”. Of: „De soep was groen.” Dan komt er een beschrijving waarin de heldin wordt geïntroduceerd: „Ik lag plat op de grond in de cel en proefde mijn eigen braaksel’ en daarop volgt een dialoog met heel korte zinnetjes.

Dit is de schrijfstijl van de literaire thrillers die in stapels bij de boekhandel liggen, waarin een slanke, gescheiden vrouw van achterin de dertig wordt belaagd door een seriemoordenaar of een krankzinnige ex.

Het verhaal is rechtlijnig als een asfaltweg door de woestijn. De heldin staat in de meest letterlijke zin nergens bij stil. Ze holt maar voort als een poppetje in een computerspel dat tot in het oneindige over muren springt en belagers van zich afslaat. Soms gaat ze zich te buiten aan drank, sigaretten, geweldige seks en pasta met mozzarella. Waar literatuur het verrukkelijke vermogen heeft duizend jaar in één zin samen te vatten of juist duizend bladzijden te besteden aan één minuut, loopt dit proza geheel chronologisch en opsommend mee met de heldin: „Ik deed mijn schoenen uit. Ik draaide het antwoordapparaat af. Vijf boodschappen, die ik direct wiste. Toen trok ik een fles wijn open.”

Zoals de heldin holt met de ogen op niets anders gericht dan op de eigen besognes, zo leest de lezer ademloos door en haast zich na afloop naar de boekhandel om de volgende, want zoals junkfood de honger alleen maar vergroot, vergroot dit junkproza het verlangen naar meer.

Ik wil niet dat Joyce en Annemieke zo schrijven; erger nog: ik wil dat niemand zo schrijft, dat geen mens zo zou willen schrijven. Joyce en Annemieke vloeken in mijn kerk.

Literatuur is er om ons de ogen te openen voor de schoonheid van het alledaagse, voor schrikbeelden die we onder een rammelende deksel verborgen willen houden, voor alles waarvan we niet eens wisten dat we het wisten. Hoe krijg ik ze uit dit gruwelijke register van STER-reclame-alledaagsheid?

„Een rijke landheer wordt wakker na een gelukzalige droom”, zeg ik en schrijf ‘1854’ op het bord. „Hij merkt dat hij niet in zijn bed ligt, maar op de divan en hij herinnert zich dat zijn vrouw hem drie dagen daarvoor met de gouvernante betrapt heeft. Schrijf op wat er door hem heengaat.”

Dit is het begin van Tolstojs Anna Karenina, dat ik hun straks zal voorlezen.

„Annemieke”, zeg ik na tien minuten. „Ik bedoel Joyce. Lees eens voor wat je hebt geschreven.”

Annemieke leest voor. „Ik had het nooit mogen doen”, dacht Eduard. „Maar ik ga het straks opnieuw doen. Het is verkeerd, en toch heb ik gelijk.”

Ik kijk verbaasd op. Ze heeft niet simpelweg cabrio, penthouse en string veranderd in koets, landhuis en korset, maar ze laat haar held ergens bij stil staan. Ze schrijft ineens in hoofd- en bijzinnen, er flonkert iets van humor. Eén sprong in de tijd heeft haar verlost van haar mechanisch voorthollende heldinnen en de modieus afgebeten zinnetjes.

„Dat is heel goed”, zeg ik. „Annemieke.” In één keer goed.

Nicolien Mizee