Altruïst tussen springruiters

Rob Ehrens (49) is ruim tweeënhalf jaar bondscoach van de springruiters.

Afgelopen weekeinde begeleidde hij zijn pupillen bij het NK in Mierlo.

„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.” Als Rob Ehrens al tellend het jachtparcours van het NK springen in het Brabantse Mierlo inspecteert, lijkt hij over vier paar ogen te beschikken. „Dat is twee galopsprongen van hindernis twee naar drie”, zegt hij tegen springruiter Gerco Schröder. „Ga je achterlangs of neem je de kortste weg?”

Al analyserend schudt hij de hand van wedstrijdleider Hans van den Bosch („pittig parcours”) en wuift hij naar een bevriende stalhouder. Tussendoor checkt hij zijn voicemail en staat hij journalisten te woord. En dat alles in één vloeiende beweging.

De bondscoach van de Nederlandse springruiters heeft, zoals dat heet, natuurlijk overwicht. Als de Limburger in zijn spijkerbroek en hippe, zwarte zonnebril langs de tribunes loopt, zijn alle ogen op hem gericht. „Ik zit goed in mijn vel”, beaamt de man die het stokje in september 2004 overnam van Bert Romp en de Nederlandse springequipe vorig jaar naar de wereldtitel in Aken leidde. Onlangs gaf Ehrens aan de hippische bond te kennen dat hij zijn contract met vier jaar wil verlengen.

Aanvankelijk zag het er niet naar uit dat voormalig topruiter Ehrens lang zou aanblijven. Toen Romp na de Zomerspelen van Athene vanuit het niets zijn vertrek aankondigde – hij kreeg elders een baan aangeboden – benaderde de hippische bond de toenmalig bondscoach van de junioren met de vraag of hij diens functie tijdelijk wilde waarnemen. Omdat zich in de daarop volgende maanden geen geschikte kandidaten aandienden, werd de tijdelijke aanstelling van Ehrens in januari 2005 omgezet in een vast contract.

Zijn beginperiode als coach stelde Ehrens voor uitdagingen, herinnert George de Jong, directeur van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) zich. „Er was onrust binnen de bond, doordat ruiters, stalhouders en sponsoren zich onvoldoende committeerden aan het nationale team. Aan Rob de taak alle neuzen één kant op te krijgen.”

Die opdracht werd bemoeilijkt doordat de prestaties aanvankelijk tegenvielen. Bij Ehrens’ eerste grote toernooi, de wereldbekerfinale in Las Vegas, brak springruiter Wim Schröder zijn been. Monaco, het paard van diens jongere broer Gerco, raakte geblesseerd. Slechts één Nederlander deed mee: Eric van der Vleuten. En die reed na een matige openingswedstrijd niet mee voor het klassement. „Rob werd gezien als de voormalige topruiter die zich als bondscoach nog moest bewijzen”, zegt De Jong. „Geen gemakkelijke uitgangspositie voor een nieuwkomer.”

Maar Ehrens, die naast zijn functie als bondscoach een paardenbedrijf runt in het Limburgse Velp, is geen man die snel de handdoek in de ring werpt. „Ik wist dat ik een aantal zaken grondig moest gaan veranderen”, zegt hij terugkijkend. „En ik wist dat ik daarbij tegenwerking zou gaan ondervinden. Maar als ik een duidelijk en rechtvaardig beleid zou voorstaan, moesten de ruiters vroeg of laat wel over de brug komen.”

Een van de eerste maatregelen die hij nam was het organiseren van praatsessies met de springruiters. Ehrens: „Niet dat er voor mijn komst niet gecommuniceerd werd. Maar mij viel al snel op dat er in de wandelgangen veel werd geklaagd en geroddeld. Zoiets is funest voor de teamspirit en kan de prestaties op termijn nadelig beïnvloeden. Daarom heb ik bij ons eerste groepsgesprek gezegd: ‘Vanaf nu houden we alles binnenskamers. Wie een probleem heeft, spreekt zich ten overstaan van de hele groep uit.”

Anders dan veel van zijn voorgangers, weigerde Ehrens ruiters te selecteren omdat zij van een grote handelsstal kwamen, of ‘onaantastbaar’ waren door hun indrukwekkende palmares. „Ik wilde iedere ruiter de kans geven om op het juiste moment te pieken”, legt hij uit. „Natuurlijk zijn er vaste waarden binnen een team. Maar gouden medailles zijn geen garantie voor de toekomst.”

Om zijn – soms controversiële – keuzes te kunnen onderbouwen, noteert Ehrens alle uitspraken en prestaties van zijn pupillen in een klein zwart boekje. „Dat boekje heeft hem door zijn beginperiode heen gesleept”, denkt Adrie Gordijn, die de tweevoudig Nederlands kampioen (1983 en 1988) van succespaarden als Oscar Drum en Olympic Sunrise voorzag. „Want net als bij nieuwe onderwijzers, probeerde iedereen Rob bij zijn vuurdoop uit.”

De meeste ruiters lijken zich in het nieuwe beleid te kunnen vinden. „Scheve gezichten zie je bij ons zelden meer”, zegt topruiter Jeroen Dubbeldam. „Omdat je weet wat de consequentie is als je ondermaats presteert.” Vaak kan hij aan het gezicht van Ehrens aflezen hoe hij ervoor staat. „En als de teleurstelling ervan afdruipt, doe ik nog harder mijn best om in vorm te raken.”

Volgens Dubbeldam is het aantal afsplitsingen binnen de groep kleiner geworden als gevolg van de praatsessies. „Voorafgaand aan toernooien eten we met elkaar. Rob heeft een goed gevoel voor humor, dat maakt het makkelijker om aan te schuiven. Maar het is geen must. Als ruiters liever een keer met een eigenaar dineren zal niemand hen daar op aankijken. Zo lang ze maar aangeven hoe de vlag er bij hangt.”

De nieuwe transparantie van Ehrens deed wonderen. Na de slechte start in Las Vegas ging het snel bergopwaarts met springruiters als Albert Zoer, Gerco Schröder, Jeroen Dubbeldam en Piet Raymakers. In de finalewedstrijden van de Super League 2005 wendde het nationale team degradatiegevaar af door zich naar een vijfde positie in het eindklassement te rijden. En bij de Europese kampioenschappen van dat jaar werden twee medailles veroverd: een keer teambrons en een individuele bronzen medaille voor Dubbeldam. Maar het voorlopig hoogtepunt werd een jaar later bereikt, met goud voor de Nederlandse ploeg bij de wereldkampioenschappen in het Duitse Aken.

Volgens bondsdirecteur De Jong blijft Ehrens bij internationale huldigingen op de achtergrond. „Toen ‘we’ in Aken de wereldtitel hadden gewonnen, gunde hij zijn ruiters alle credits. Rob ziet zichzelf meer als facilitator dan als leider. Hij zal nooit als eerste achter de persconferentietafel gaan zitten. En dat is in deze wereld een uitzonderlijke eigenschap.”

Ehrens’ acht jaar oudere zus Ineke herkent zich wel in het beeld van De Jong en Dubbeldam. „Rob is een altruïst die weet wat hij wil.” Toen hij als negenjarige op de Shetlandpony van zijn grootvader stapte, ging het volgens haar niet van een leien dakje. „Het was vallen en opstaan. Maar als Rob iets in zijn kop heeft, krijg je het er niet meer uit.”

Bekijk de site van de bond:www.knhs.nl