Over zijn lijk

Leo Beenhakker is een man uit 1942. Een oorlogskind, geboren in gebombardeerd Rotterdam, in een volkswijk niet ver van de Maas. Hij rook als jongen dagelijks de zilte geur van het water dat alle havensteden met elkaar verbindt.

Werken is zijn tweede natuur, waar ook ter wereld. Van vader meegekregen. Stilzitten is wegrotten. Dus zei Beenhakker (64) ‘ja’ tegen de klus om Feyenoord via de komende play-offs alsnog Europees voetbal te bezorgen. Op de radio klonk het besluit zakelijk: „Je slaapt er een nachtje over. Ach, als ik die mensen kan helpen, waarom niet?”

In het openbaar juichen, zoals nu om een leuk ‘tussenbaantje’, zal Beenhakker niet snel doen. Maar in het voetbal weet hij dat achter een doelpaal of een lichtmast altijd wel iemand klaar staat om je met een flinke mep weer met beide benen op de grond te rammen.

Toen hij in 1999 bij Feyenoord werkte, zat Beenhakker in de zomer in de Kuip te kijken naar een jeugdtoernooi. Arsène Wenger, trainer van Arsenal, liep er rond. De manager van Maradona en Julio Ricardo Cruz, zat op de tribune. Beenhakker tikte ze aan, alsof hij ze al jaren kende. Man van de wereld. Hij aaide mijn zoontje over de bol. Die kende hij nog niet.

In 2000, een jaar na het kampioenschap van Feyenoord, verliet Beenhakker met hangende schouders de Kuip. Zelfs in zijn geboortestad, bij een club naar zijn hart, bleek eens te meer dat een stadion niet meer is dan een passantenverblijf, of beter nog, het Leger des Heils voor voetbalverslaafden.

Een paar jaar later vertrok hij naar de voetbalcompetitie in Mexico. In 2003 was ik een week in Mexico Stad. Club América, de club die Beenhakker trainde, speelde thuis. Ik had een plaatsje in de nok van het halfvolle, immense stadion.

Ondanks de hitte trommelden en zongen de Mexicanen erop los. Daar kwamen de spelers op het veld. En daar was Beenhakker. Zelfs vanaf de hoogste zitplaats herkende ik hem uit duizenden; langzame tred, die kromme benen schemerend door een onbestemde broek met vouw.

Beenhakker ging aan de kant van het veld staan, een hand wrijvend over zijn gezicht, dan weer als steun onder zijn kin, daarna door het haar. América verloor. Ik bezocht de persconferentie in de catacomben van het Mexicaanse stadion.

Beenhakker praatte in het Spaans de tijd vol. Een handbeweging, een zucht. Een lachje. En weer weg. Ik schoot hem na afloop aan. Hij had geen zin in een praatje en liep een betonnen gang in. Helemaal alleen op de wereld zou Beenhakker het ook best redden. Een half jaar later vertrok hij bij de club.

Beenhakker, dit weekend voor de radio: „Ik ben een professional.”

Als een havenarbeider blijft hij beschikbaar voor werk. De Graafschap? Maar doen, toch? Trinidad en Tobago tijdens het WK in Duitsland? Leuk! Polen? Ja hoor, prima. Feyenoord? Laat je niet in de kou staan.

Alle lange letters van het alfabet staan inmiddels in zijn gezicht gebeiteld. Maar te oud voor het vak vindt hij zichzelf nooit. Over zijn lijk. De grote vraag sinds vandaag – zijn eerste trainingsdag met het huidige Feyenoord – is, in ferme haventaal: hoe trekt hij een lekkende Rotterdamse strontschuit door de vaargeul van de Maas alsnog Europa in?