Fransch verboten!

Op 14 augustus 1941 publiceerde de Nederlandsche Staatscourant een opmerkelijke beschikking. Onder het kopje ‘Menu- en dagkaarten’ meldt het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd dat de Franse taal niet langer mag worden gebruikt op menukaarten.

Letterlijk staat er: „In inrichtingen, waar voor het publiek gereedgemaakte spijzen al dan niet voor gebruik ter plaatse verkrijgbaar worden gesteld, mogen menu- en dagkaarten slechts in de Nederlandsche of Duitsche taal gesteld zijn. Het gebruik van de Fransche taal moet achterwege worden gelaten.”

Wel mogen „bijzondere inrichtingen, zooals Indische of Italiaansche en dergelijke restaurants, voor de nationale gerechten de gebruikelijke benamingen in de landstaal behouden.”

Dus: geen Franse woorden meer op de menu’s, maar wel saté, gadogado en spaghetti, want daar had men nauwelijks of geen ‘Germaanse’ equivalenten voor.

De gevolgen bij overtreding: zes weken gevangenisstraf of een geldboete van maximaal duizend gulden.

Dat het Frans in deze toepassing officieel verboden is geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog, is nauwelijks bekend. Ik heb er in ieder geval niks over kunnen vinden. Bij het NIOD worden wel wat archiefstukken en notulen van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd bewaard, maar daarin stond helaas niks over deze merkwaardige beschikking.

Zou ze ooit zijn uitgevoerd? Hebben veel restauranthouders de benamingen op hun kaarten aangepast, en hoe ver moesten zij hierin gaan? Menu zelf is al van oorsprong een Frans woord, net als restaurant, café, soep, plus nog een menigte andere woorden, want de Franse keuken heeft nu eenmaal veel invloed gehad.

Curieus is overigens dat je een ontheffing van deze bepaling kon aanvragen. Mochten chique restaurants, waar de menukaarten van oudsher wemelen van het Frans, die taal wél op hun ‘dagkaarten’ blijven gebruiken?

Zeker is dat deze beschikking aansloot bij de opvattingen van de NSB, een partij die graag pal stond voor Oudhollandse (‘Dietsche’) waarden en zuiver taalgebruik. De partij voerde strijd tegen de verbastering van het Nederlands en hekelde het gebruik van vreemde woorden en uitdrukkingen – waaronder het Frans.

Ondertussen stond de bemoeienis van de overheid met de nationale menukaart zeker niet op zich. Het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd gaf aan de lopende band beschikkingen uit over wat restaurants, cafés en hotels wel en niet mochten serveren.

Zo stond in hetzelfde nummer van de Staatscourant (dat in het logo overigens ‘Je maintiendrai’ had staan) een ‘versoberingsbeschikking voor maaltijden’, de eerste in een reeks.

Bij een latere versoberingsbeschikking, die op 16 april 1942 werd gepubliceerd, stond andermaal een taalbepaling. Het Vaderland vatte een en ander als volgt samen: „In het kader van de noodzakelijke versobering dient met ingang van 20 april a.s. in alle restaurants op Maandag en Donderdag (...) een eenvoudige hoofdschotel verkrijgbaar te zijn onder den naam: ‘Wat de pot schaft’ zonder eenige nadere aanduiding.”

En, ober, wat staat er vandaag op het menu? Geen boeuf bourguignon, geen cordon bleu en zeker geen pommes parisiennes, maar: wat de pot schaft. Een oer-Hollandse uitdrukking, enigszins plat zelfs, van overheidswege opgelegd. Het kan raar lopen als totalitaire bestuurders zich met taal gaan bemoeien.

Ewoud Sanders

Wie heeft nog herinneringen aan dit verbod op Frans op menukaarten?Reacties naar www.nrc.nl/woordhoek