De leegte die hij naliet

Zou ik zonder alle media dit weekend nog aan Pim Fortuyn hebben gedacht?

Ik vrees van niet.

De raarste data onthou ik. Zelfs van mensen van wie ik me nauwelijks meer een gezicht kan herinneren zijn me verjaardagen, trouw-dagen en sterfdagen bijgebleven, die me door de jaren heen ’s ochtends onder het scheren ook trouw te binnen blijven schieten: verrek, die was vandaag jarig, die trouwde vandaag, die ging vandaag dood.

Maar 6 mei 2002 heb ik nooit opgeslagen.

Zou het psychisch zijn?

Ik lees wel alle analyses en kijk naar alle terugblikken – zeker als er zoals nu een lustrum aan de orde was. Zelfs een oud lebberkousengesprek met Ivo Niehe heb ik nog weer eens geduldig over me heen laten komen. Maar natuurlijk ook een geheel vernieuwde evaluatie onder leiding van Felix Rottenberg, die nooit verveelt, ofschoon zijn optreden door een steeds eigenaardiger parmantigheid wordt bedreigd: alsof hij nu definitief de rijksgediplomeerde vogelwichelaar van de hele Nederlandse staatkunde sinds de dagen van Thorbecke is geworden.

Maar als ik alles heb gelezen en bekeken, ben ik nog even wijs als één, twee, drie, vier, vijf of zes jaar geleden. Vóór die tijd wás er geen revolutie. In 2002 werd de revolutie, die er waarschijnlijk ook nooit was geweest, door een halvegare uit de geschiedenis geschoten.

Dat is toch raar? Alle revoluties verliezen onderweg wel eens een sleutelfiguur, een kopstuk of zelfs een Danton. Maar dan staat er altijd bijtijds weer een Robespierre op om de boel voort te zetten. Op 6 mei 2002 daarentegen was het niet alleen met de man, maar ook met zijn hele revolutie gedaan.

Misschien is dat de reden dat al die nabeschouwingen nu al vijf jaar lang als twee druppels water op elkaar lijken. Eigenlijk beschouwen ze iets na wat weinig heeft voorgesteld, maar in Den Haag zijn ze er toen niettemin zo ontzettend van geschrokken, dat ze nog wel de rest van de eeuw nodig hebben om erop af te studeren.

Pimmetje.

De mortuis vanzelfsprekend nil nisi bene. Maar alles wat direct of indirect aan de man deed denken, stemt onafgebroken nog altijd grijs en gemelijk. De directe lijnen leken de ergste. Van Spong & Hammerstein, Ferry Hoogendijk, de seksindustrie, het vastgoedsyndicaat tot aan half-en-half aandoenlijke sukkels als Eduard Bomhoff en Mat Herben. Op papier hadden ze ook de cast voor een schelmenopera kunnen vormen. Maar helaas: geen présence, geen humor, geen schelmerij. Laat staan belcanto.

Waar haalden ze in godsnaam hun aanhang vandaan?

Het antwoord op die vraag is de afgelopen vijf jaar nooit werkelijk veranderd. Altijd weer opnieuw:onvrede, veenbrand, opstand der horden, verraad der klerken, revolutie der eenzamen. En de vurige behoefte van de burgerman om eindelijk te mogen zeggen wat hij dacht. Zo niet ‘rotneger’ of ‘kutmarokkaan’, dan toch minstens ‘achterlijke moslim’.

Maar waren intussen de indirecte lijnen niet nog veel erger en treuriger? Die leidden naar het politieke vacuüm waarin gewichtloze schimmen rondzweefden als de uitgebluste Wim Kok, de morose Ad Melkert, de saxofonist Hans Dijkstal, de onbriljante Thom de Graaf en de lepe Paul Rosenmöller, die toen al van een profijtelijker betrekking droomde. Die vijf, naast de betrekkelijke nieuweling Balkenende die zijn kans rook – als Jan de Quay bij de oprichting van de Nederlandsche Unie.

Slechte sprekers zeggen bij open groeves graag dat de overledene een grote leegte nalaat. Dat is precies waar Fortuyn ons mee heeft opgescheept: met de leegte van Balkenende I tot en met IV, met de waterige sociaal-democratie van Wouter Bos, met het loze liberalisme van Mark Rutte, en met het orthodoxe christendom van André Rouvoet.

Daar zou ik wel eens een analytisch televisieprogramma over willen zien.