Zijn aanbestedingen wel gunstig voor de reiziger?

Met verbazing las ik het artikel van professor De Bruijn e.a. over de vijf mythes over de bus (Opiniepagina, 17 april). Zij concluderen dat het heel goed gaat met de aanbesteding van het openbaar vervoer. Zij gaan echter voorbij aan een ontwikkeling die al enkele jaren gaande is: de concentratie van vervoerbedrijven.

Een jaar of 15 geleden had ongeveer iedere provincie zijn eigen streekvervoerbedrijf. Via fusies en overnames is het aantal bedrijven snel afgenomen. Nu zijn er nog 3 grote vervoerbedrijven: Arriva, Connexxion en Veolia. En een kleinere in de Achterhoek (eigendom van NS en Connexxion).

Bij de eerste ronde van aanbestedingen is veel lucht uit de vervoerbedrijven gehaald. Efficiencyslagen van 25 procent of meer waren eerder regel dan uitzondering. Het leek eenmalig. Maar het gaat gewoon door.

Bij herhaalde aanbestedingen in hetzelfde concessiegebied blijven de biedingen ongekend scherp. Zo heeft Connexxion onlangs de concessie Amstelland-Meerlanden gewonnen. De reiziger krijgt dankzij deze aanbesteding circa 60 procent meer busvervoer aangeboden dan volgens de huidige, aflopende dienstregeling. Connexxion zet ook nieuwe, toegankelijke lagevloerbussen in. Keer op keer verbazen de vervoerbedrijven de opdrachtgevende overheden en elkaar. De conclusie kan niet anders luiden dan dat de vervoerbedrijven marktaandeel kopen. Dat betekent aanbiedingen doen die op of onder de kostprijs liggen.

De vraag is steeds wie de langste adem heeft. Bedrijven gaan failliet en worden overgenomen. Uiteindelijk resteren in Nederland slechts een paar streekvervoerbedrijven die binnen hun markt monopolist zijn. Of de aanbestedingen dan nog gunstig zijn voor de overheden en de reiziger is de vraag.