Waarschuwen voor eigen ondergang

Het laatste wat je wilt, is de fiscus alarmeren als het slecht gaat met je bedrijf. Toch is het beter dat maar wel te doen.

Jaren geleden speelden malafide ondernemers een lucratief spelletje. Ze lieten een bv (met witwasgelden) lekker winst maken, betaalden geen cent belasting en lieten uiteindelijk de bv ‘ploffen’. In de failliete bv bleef de fiscus met de onbetaalde belastingschulden achter. Het verdiende geld zat veilig in Zwitserland.

De wetgever greep in door voortaan de bestuurders persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de belastingschulden in hun failliete bv’s. Dat gaat ook weer te ver. De rechtsvorm van de besloten vennootschap is juist bedoeld om het vermogen van de onderneming apart te houden van het privévermogen van zowel de directeur als de aandeelhouders.

Er kwam een tussenoplossing. De directeur (bestuurder) die aan ziet komen dat de bv haar belastingschulden niet langer op tijd kan betalen, moet dat eerlijk op het belastingkantoor melden. De fiscus kan dan tijdig zijn maatregelen nemen en de bestuurder is niet persoonlijk aansprakelijk.

Dit succesvolle systeem van betalen of melden is soms onrechtvaardig. Bijvoorbeeld als je de directeur van een failliet bedrijf eigenlijk niets kwalijk kunt nemen. De wet accepteert evenwel geen excuses; de Tweede Kamer deed evenmin moeilijk over de hardheid van de regeling. Het is de rechter die de scherpste kantjes van de wet afslijpt. Als iemand door ziekte niet in staat is de betalingsonmacht van zijn (eenmans) bv tijdig te melden, dan mag de fiscus hem niet aansprakelijk stellen, zo luidt de rechterlijke ontsnappingsclausule. Maar het is onduidelijk wanneer bestuurders daar precies een beroep op kunnen doen.

Dat gaat de Hoge Raad later dit jaar uitmaken aan de hand van het geval van een bv-directeur die zijn succesvolle bedrijf langzaam aan zijn ziekte ten onder zag gaan. Door een ernstige slaapstoornis (obstructief apneu) kon hij steeds minder werken, liep zijn relatie op de klippen en verviel hij in depressies. Gaandeweg raakte hij als mens aan lager wal en zijn bv met hem. Zijn salaris liep tot het eind door maar veel rekeningen werden niet meer betaald, waaronder de belastingaanslagen.

De betalingsproblemen had de man niet uit zichzelf bij de Belastingdienst aangekaart. Daarom ging de belastingontvanger verhaal halen op ’s mans privévermogen. Zijn huis moest in de verkoop, wat zijn toch al sombere leven er niet vrolijker op maakte. Hij voerde zijn ziekte aan als excuus voor het achterwege blijven van de melding.

Dat leidde tot een hoog oplopende juridische strijd waarin de Hoge Raad het laatste woord moet spreken. Bij een ziekte die binnen twee weken voor het eind van de betalingstermijn plotseling de kop op steekt, zou de Hoge Raad het excuus zonder meer accepteren. Maar hoe zit het met een slepende en slopende ziekte? Daarbij kun je immers aan zien komen dat er betalingsproblemen ontstaan, zeker in kleine bedrijfjes.

De (kleine) ondernemer zit dus met een dilemma. Op welk moment moet hij een voorziene betalingsonmacht melden? Hij wil dat zeker niet te vlot doen. De maatregelen die de fiscus na de melding neemt, maken de ondergang van het bedrijf alleen maar waarschijnlijker. Maar als hij zijn problemen te laat meldt, moet hij als ‘straf’ zijn privéspaarrekening aanspreken of zijn huis verkopen.

Aertjan Grotenhuis