Regenten doen net of er geen Fortuyn is geweest

Morgen is het vijf jaar geleden dat Pim Fortuyn werd vermoord. De partij die hij oprichtte is ter ziele en over zijn befaamde gedachtegoed wordt weinig meer vernomen. Toch, constateert J.A.A. van Doorn, is zijn invloed op de Nederlandse politiek groot en groeiend. Hij schiep een nieuwe stijl en strategie en toonde overtuigend aan dat met personalisme en populisme formidabele electorale successen zijn te behalen. Eduard Bomhoff merkt op dat de kritiek van Fortuyn op regenten en het politieke bestel geen blijvend effect heeft gehad, en dat zijn pleidooi voor strengere normen is vertekend door de begripsverwarring tussen normen en waarden.

Eduard Bomhoff

Vicepremier en namens de LPF minister van Volksgezondheid in het eerste kabinet-Balkenende. Thans decaan van de Business School van de Universiteit van Nottingham in Kuala Lumpur.

Iedere keer als ik in Nederland kom, vertellen mensen hoe ze Pim Fortuyn missen. Voor een groot deel is dat heimwee naar een flamboyante toneelpersoonlijkheid. Fortuyn kon een gehoor meeslepen met zijn indringende stijl. Wat hij zei was niet zo subtiel, maar het klonk alsof Professor Pim er lang op had gestudeerd. En hij stond voor zijn uitspraken. Een groot deel van Nederland kreeg maar geen genoeg van Fortuyn omdat ze nog nooit zo’n elegante standwerker hadden gezien. Meer dan anderhalf miljoen Nederlanders stemden postuum op hem in mei 2002 – vaak hun eerste gang naar het stemlokaal.

Wat is er, vijf jaar na zijn dood, gebleven van zijn ideeën? Zijn campagne tegen de regenten veroorzaakte het onmiddellijke vertrek van Ad Melkert (PvdA) en Hans Dijkstal (VVD), twee lijsttrekkers van grote partijen, maar had geen blijvend effect. Nederland blijft het enige land in Europa waar de minister van Binnenlandse Zaken de burgemeesters selecteert. Minister Ter Horst heeft binnen een maand na haar benoeming laten weten dat ze bij nieuwe benoemingen zal afwijken van de voorkeur van de gemeenteraden, om haar politieke agenda door te kunnen drukken.

De democratisch gekozen burgemeester is cruciaal, omdat burgers dan druk kunnen uitoefenen om criminaliteit of andere grote problemen aan te pakken. Kandidaten voor de post van burgemeester zullen beloftes doen in hun campagne en kunnen daar dan aan worden gehouden. Omdat burgemeester Cohen van Amsterdam nooit is gekozen, weten we niet of de Amsterdammers achter zijn vriendelijke integratiepolitiek staan.

In Rotterdam zegt burgemeester Opstelten dat hij een ‘bestuurder’ is, niet een politicus – probeer dat eens uit te leggen aan burgemeester Livingstone in Londen of burgemeester Bloomberg in New York. In Londen is het rekeningrijden een succes omdat Livingstone meer is dan een bestuurder; New York ziet de criminaliteit steeds verder dalen doordat Giuliani en Bloomberg persoonlijke moed en een mandaat van de kiezers kunnen inbrengen.

In Nederland daarentegen blijft het kabinet een outplacementbureau voor gefaalde politici, althans van de gevestigde partijen. Niet alleen de burgemeesters worden benoemd, maar oud-politici worden ook geparachuteerd bij de universiteiten en in lobbycircuits. Een oud-minister van Onderwijs is driekwart jaar werkloos en wordt dan voorzitter van het midden- en kleinbedrijf, hoewel hij toegeeft daar geen enkele ervaring mee te hebben: „Maar ik heb een goed netwerk binnen de VVD.” In de gezondheidszorg bezetten drie VVD-politici de belangrijkste posten van voorzitter van de verzekeraars, voorzitter van de ziekenhuizen en voorzitter van het tarieforgaan. Minder dan 0,3 procent van de Nederlanders is lid van die partij, en toch wordt de selectie tot die minuscule groep beperkt. Geen van de drie had een relevante opleiding of ervaring. Fortuyn richtte zijn kritiek zowel op het onbenul van de regenten als op het democratisch deficiet; op beide dimensies is niets verbeterd.

Op twee andere terreinen is de invloed van Fortuyn wel zichtbaar. Zijn ‘Nederland is vol’-verhaal droeg bij tot een sterke afname van het aantal toegelaten asielzoekers. Fortuyn paste niet goed in het links-rechts schema, omdat hij aan de ene kant het aantal laagopgeleide immigranten wilde verminderen, maar tegelijk duidelijk maakte dat we fatsoenlijk en genereus moesten zijn tegen alle asielzoekers die al jaren in Nederland woonden.

Fortuyn was geen islamdeskundige en ik was ook geen bewonderaar van zijn uitspraken over de islam: hij had weinig gereisd en nóg minder gelezen. Maar in Elsevier schreef hij direct na de aanvallen van 11 september 2001 een column met de juiste accenten: er is een probleem met de islamitische cultuur vanwege discriminatie tegen vrouwen en homo’s, en er zijn ayatollahs die met hate speech een theocratie willen vestigen. Dat is helaas allemaal waar, en bij Fortuyn ontbraken de krampachtige, schrille, en onhistorische pogingen van Hirsi Ali en Geert Wilders om de schuld voortdurend neer te leggen bij de profeet Mohammed of bij het heilige boek van de moslims.

Fortuyn zag Nederland graag anders, maar wilde dat niet bereiken met een kruistocht tegen de islam, maar liever door een terugkeer naar de wereld van Ot en Sien. Op de lagere school moet hij lang hebben gekeken naar de schoolplaten van Cornelis Jetses, met hun nu zo nostalgische titels: ‘De lente op den akker’, ‘De kaasbereiding’. Maar zoals Joop den Uyl – ooit zeer bewonderd door Fortuyn – al zei: „Die tijd komt nooit meer terug”. Fortuyn wilde die tijd wél terug en schreef in zijn laatste boeken met heimwee over verloren gezag van ouders en onderwijzers.

De politiek kan bijdragen aan respect en normbesef door hard en consequent op te treden tegen iedereen die – hoog of laag – zich niet aan de regels houdt. Ook daarom was Fortuyn zo tegen de regenten die elkaar afdekken en schreef hij zonder mededogen tegen falend normbesef bij Bram Peper en andere politici. Maar afgezien daarvan wist Fortuyn natuurlijk ook niet hoe het Nederland van zijn jeugd weer terug kon komen.

Veel politici, te beginnen met de minister-president, spreken in dat verband graag over herstel van normen en waarden. Ze nemen dan aan dat in een gezonde cultuur iedereen er dezelfde waarden op na houdt. Rembrandts strenge Staalmeesters en Jan Steens dronken bruiloftsgasten – hadden die dezelfde waarden? De schout en zijn rakkers moesten in de Gouden Eeuw voor iedereen dezelfde normen handhaven – maar dat is iets anders dan de ‘waardengemeenschap’ waar politici over spreken. Dat is een onhistorische constructie en niet meer dan code voor een voortdurende aanval op de islam.

In Maleisië ontvang ik mijn dagelijkse exemplaar van de Financial Times in een lokale editie en dus was twee weken geleden op de foto van Winston Churchill de sigaar met een zwarte balk bedekt. Dat is een poging om de norm van ‘niet-roken’ te versterken, maar tegelijkertijd adverteert de Maleisische regering het ‘Visit Malaysia 2007 year’ met als unique selling point de rijke verschillen tussen de verschillende culturen.

‘Normen’ gelden voor iedereen, maar waarden kunnen in een cultuur verschillen. Bij Fortuyn mocht Nederland een stuk strakker worden in de normhandhaving; zijn ideeën over cultuur bleven romantisch en onuitgewerkt.

Wat is dan de balans? De regenten regeren nog steeds. Fortuyns politieke partij heeft nooit iets betekend en is alweer verdwenen. Fortuyns kritiek op de islamitische cultuur was oppervlakkig maar beter getroffen dan de latere aanvallen op de godsdienst door Wilders en Hirsi Ali, en wordt trouwens door de Arabische oppositie wijd gedeeld.

In plaats van zijn nostalgie naar het overzichtelijke Nederland van zijn jeugd zijn twee stromingen gekomen die beide niets goeds beloven: Balkenende kan maar niet het onderscheid maken tussen normen en waarden, en Bolkestein verkoopt pseudowetenschap over de clash tussen islamitische en christelijke waarden. En het plezier in de politiek is na 6 mei 2002 verdwenen.