Oudere kinderen maken ‘slimmere’ onthoudfouten

Jonge ooggetuigen getuigen niet per se slechter dan oudere. ries van wendel de joode/hh Nederland, Sleeuwijk, 17 september 2006. Een trauma helikopter blaast bij het opstijgen een half grasveld aan hooi de lucht in. De met de heli mee gevlogen arts is met het slachtoffer (een gevallen wielrenner) ondertussen met een ambulance op weg naar het Beatrix ziekenhuis in Gorinchem. Zuid-Holland-Zuid, 112. Scherpe bocht bij de Merwede brug. A 27 foto: Ries van Wendel de Joode/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Het geheugen van kinderen wordt beter naarmate ze ouder worden, maar een bepaald type geheugenfouten neemt juist toe met de intelligentie. Dat blijkt uit onderzoek van psychologen van Cornell University in Ithaca, gepubliceerd in het meinummer van Psychological Science.

Het gaat om false memories – iemand zegt dat hij iets gezien of gehoord heeft, terwijl dat niet zo is. Bij dit type onderzoek krijgen mensen vaak een reeks woorden te horen, waarna ze iets afleidends moeten doen. Dan volgt weer een lijst woorden, met bij elk woord de vraag of het ook al in de eerste lijst voorkwam. Mensen zijn hierbij geneigd te vaak ‘ja’ te zeggen: er sluipen nep-herinneringen op woordniveau tussen.

Zulke false memories kunnen op verschillende manieren ontstaan. Vooral kleine kinderen zeggen sowieso snel ‘ja’ als hun gevraagd wordt of ze iets al eens eerder hebben gehoord of gezien, zeker als er iets bijzat dat er een beetje op leek. Maar iemand kan bijvoorbeeld ook ‘ja’ zeggen op ‘rood’ terwijl dat nou net een van de weinige kleuren was die niet in de lijst voorkwam – die associeert hij of zij er dan bij.

Die laatste variant komt, zo blijkt nu, vaker voor naarmate kinderen ouder worden. Dat komt doordat kinderen de betekenis van een bepaald woord (bijvoorbeeld ‘rood’) al wel kunnen begrijpen, terwijl het dan nog enkele jaren kan duren voordat ze in staat zijn om spontaan te bedenken dat dat woord tot een categorie hoort waartoe ook allerlei gerelateerde woorden behoren (‘blauw’, ‘groen’, ‘bruin’).

De onderzoekers toonden dit aan door kinderen van 6, 10 en 14 jaar oud woordenlijsten voor te lezen. Sommige woorden waren de enige in de lijst van hun categorie (bijvoorbeeld één kleur), van andere woorden kwamen er acht uit één categorie voor (bijvoorbeeld acht bloemen). Daarna kregen de kinderen een puzzel en vervolgens werd weer een nieuwe lijst woorden voorgelezen, met bij elk woord de vraag of het ook al in de eerste lijst had gezeten. Het bleek dat de oudere kinderen het beter deden dan de jongere als het ging om het aantal correcte ‘ja’s’, en ze zeiden ook minder vaak ten onrechte ‘ja’. Maar als er een negende, niet eerder genoemd woord uit een bepaalde categorie werd opgelezen, dachten oudere kinderen vaker ten onrechte dat ze dat al eerder gehoord hadden, simpelweg doordat ze al beter in staat waren om zulke betekenisverbanden te leggen. Volgens de onderzoekers zijn hun resultaten ook relevant voor ooggetuigenverklaringen van kinderen. Ook die zijn niet per se accurater naarmate de jonge getuige in kwestie ouder wordt.

Ellen de Bruin