Op dievenpad, ondanks een zieke vriendin

Wie komt er bij de rechter en waarom? Meneer M. had een werkstraf, maar verscheen nooit op het werkproject. De reclassering gaf het op.

In zaal F van de Utrechtse rechtbank wordt aan ‘supersnelrecht’ gedaan. Dit weekeinde vechten bij een voetbalwedstrijd, volgende week voor de rechter. De zaak van vandaag ligt iets anders. De verdachte is gisteren officieel vrijgelaten uit de gevangenis, maar hij kon meteen blijven om zijn volgende straf uit te zitten. En tegen die volgende straf heeft de verdachte, een Marokkaanse man van 34, bezwaar gemaakt. Er is dus haast bij.

De man had nog 16 uur werkstraf uitstaan. Die had hij gekregen voor een diefstal. De reclassering zegt dat ze vanaf vorig jaar maart bezig is geweest meneer op een werkproject te krijgen. Eerst het intakegesprek. Meneer kwam niet. Zijn dochter lag in het ziekenhuis. De keer daarop: ex-vriendin lag in het ziekenhuis. En toen: geen vaste verblijfplaats, dus hij had de oproepbrief nooit ontvangen.

Eindelijk kwam hij, hij werd ingedeeld bij een groepsproject in de Utrechtse bossen. Hij kwam niet. De oppas had een lekke band. Inmiddels was het augustus. Zijn geld was op, hij kon de reis niet betalen. Hij had problemen thuis. Was aan het verhuizen. Toen was het november, de laatste kans. Weer kwam hij niet. Nu was zijn vriendin ernstig ziek. Zo ziek, dat ze Kerstmis niet zou halen.

De reclassering gaf het op. Ze vroegen de officier van justitie zijn werkstraf om te zetten in een gevangenisstraf. Voor 16 uur komt dat neer op acht dagen zitten. En dat staat nu ter discussie.

Meneer M. wordt de rechtszaal in gebracht door twee bewakers. Een van de acht dagen cel zit er nu alvast op. Rechter Bruna somt de lijst met afgezegde afspraken op. Ze noemt het geen smoezen, ze controleert alleen of meneer kan bevestigen dat het zo gegaan is. Ze vraagt waar hij nu woont. Bij een vriend. Hoe zijn leven nu loopt. „Ik smeek onze lieve Heer dat ik mijn vriendin nog in levende lijve mag meemaken. En of hij bereid is nu wel te werken. „Ik wil graag werken. Ik wil mijn leven over een andere rails gaan gooien.”

De officier van justitie kan haar ongeloof niet verbergen. De ziekte van zijn vriendin, schampert ze, weerhield hem er niet van om op 27 december, ná de Kerst dus, op het dievenpad te gaan. M. werd gepakt en vastgezet. De rechter veroordeelde hem tot vier maanden cel voor winkeldiefstal, verduistering en een autokraak. Die straf heeft hij er nu net opzitten. „En wie zorgde er voor uw vriendin toen u vastzat?” Hij in elk geval niet. En nu zou ze zo ziek zijn dat ze de acht, pardon zeven dagen die hij nog moet zitten, niet zou halen?

De advocaat van M. vindt het een schande dat de officier van justitie ook maar durft te twijfelen aan de ziekte van de vriendin. „Dat is niet iets om sceptisch over te doen. De kanker in haar lever is zo ernstig, dat het elk moment gebeurt kan zijn met haar.” De officier: „En waar zijn dan de doktersverklaringen die dat bevestigen?”

De advocaat: „Nou trekt u het toch weer in twijfel. Haar ziekte is zo ernstig dat ze niet meer behandeld kan worden.” Hij vraagt consideratie. „Het zou wel bijzonder cru zijn als hij niet bij haar einde kan zijn.” De officier van justitie haalt haar schouders op: „Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het waar is van die ziekte. Maar een werkstraf is een straf. Er moet een keer een end aan komen.”

Hoe erg kan iemand liegen? Zouden rechters er een apart zintuig voor hebben om te weten wat waar is en wat niet? Waarschijnlijk niet. Ze houden het bij de feiten. Rechter Bruna in elk geval wel. Ze zegt eerst dat ze absoluut gelooft dat meneers vriendin terminaal ziek is. Ze bladert in de dossiers. Lijkt zichzelf te overtuigen. „Ik zie geen reden om daaraan te twijfelen.”

Ze laat een stilte vallen. Ze moet nu een besluit nemen. Het gedrag van meneer lijkt de doorslag te geven. Dat hij in december, toen de ziekte ook al ernstig was, nog uit stelen ging. „Toen dacht u ook niet aan haar.” Ze neemt een besluit: „U heeft kans op kans gehad. Ik vind dat u in de gevangenis moet blijven.” Weer een stilte. M. staat op, vraagt: „Ben ik nou veroordeeld?” Ja, zegt de rechter. Haar gezicht verraadt dat ze het geen makkelijke beslissing vond.