Onderzoek bij 35.000 Europeanen levert tien diabetesgenen op

Iemand wiens broer of zus ouderdomssuikerziekte heeft, heeft meer dan drie keer zoveel kans om het ook te krijgen als de buurman. Naar de bijbehorende genen wordt dan ook druk gezocht, maar de nieuwste publicaties maken aannemelijk dat er slechts enkele gangbare risicogenen bestaan (Science en Nature Genetics online, 26 april).

Waarschijnlijk heeft elke familie met ouderdomssuiker, ofwel diabetes type 2, dus goeddeels zijn eigen risicovolle genenpakket.

De studies, vier in totaal, vormen samen de grootste screening ooit naar genen voor de aandoening. Er deden Finnen, IJslanders en Britten aan mee. Twee maanden geleden verscheen al een gelijksoortig onderzoek onder Fransen (Nature online, 11 februari). In totaal werden voor de vijf publicaties 15.000 mensen met diabetes type 2 en 20.000 gezonde proefpersonen gescreend. Daardoor is nu één veel voorkomend gen bekend dat de kans op suikerziekte met circa 40 procent vergroot, en acht of negen die het risico met 5 tot 25 procent vergroten.

De onderzoekers schatten dat ze zo enkele procenten kunnen verklaren van alle verschillen die er in de samenleving bestaan wat betreft de kans om suikerziekte te krijgen. Deels komt dat doordat nog veel risicogenen verborgen blijven, deels omdat ook levensstijl een belangrijke bijdrage levert.

Bij diabetes type 2 worden weefsels ongevoelig voor het hormoon insuline dat suikers uit het bloed wegwerkt. Dat gebeurt vaker bij mensen die veel te dik zijn, weinig bewegen en roken. Geleidelijk aan krijgen mensen typische suikerziekteklachten: hart- en vaatziekten, netvliesslijtage, nierziekte en pijn in de benen.

De beperkte opbrengst van het diabetesgenen-project ligt in de lijn van vergelijkbare studies naar bijvoorbeeld autisme of trombose. Ook voor die aandoeningen lijken er niet veel wijdverbreide risicovarianten te bestaan. Met de huidige kennis over de erfelijkheid van diabetes type 2 kan er dus geen kant-en-klaar risicoprofiel worden opgesteld om patiënten vroeg op te sporen.

Wel voeden de genen het onderzoek naar de processen in cellen en weefsels die leiden tot ouderdomssuiker. Neem het gen met het sterkste effect, TCF7L2 dat sinds de ontdekking – pas vorig jaar! – al in dik twintig studies werd aangetroffen, van de Verenigde Staten tot India. “De vriezers zijn geplunderd”, schreef de Brit Eleftheria Zeggini, ook auteur van een van de nieuwe publicaties, in januari in het vakblad Diabetologia.

Het gen is echter bijna in het hele menselijk lichaam actief, dus de zoektocht naar de functie is in volle kracht aangevangen. Het lijkt er voorlopig op dat het de productie van insuline vermindert. En een van de diabetesgenen van vorige week bleek ook een grotere kans op hart- en vaatziekten te geven (Science Express, 3 mei).

Waarschijnlijk zullen vergelijkbare projecten, in andere bevolkingsgroepen of bij diabetici met net wat andere klachten, nog wel meer risicogenen opleveren. Het Franse onderzoek droeg bijvoorbeeld twee duidelijke risicovarianten aan die vervolgens bij de Britten en de Scandinaviërs onvindbaar bleken. Dat kan duiden op variatie tussen mensengroepen, ook binnen Europa.

Hester van Santen