Minder taboes en meer verruwing

Vijf jaar na de moord op Pim Fortuyn, op 6 mei 2002, zijn de gemoederen in Nederland nog steeds verhit. Voor die tijd stond Nederland bekend als een vreedzaam, enigszins naïef, internationaal gericht en gastvrij land met liberale regels op het gebied van euthanasie, prostitutie en softdrugs. Maar onderhuids broeide onvrede over de snelle verandering van de samenleving, over immigratie, multiculturalisme, verregaande individualisering en een liberale overheid op afstand. De Fortuynrevolte was een felle reactie op de gevolgen daarvan. De onvrede kwam tot een uitbarsting door het afbladderen van de paarse coalitie en de aanslagen van islamitische terroristen in New York en Washington in september 2001.

Vooral in Rotterdam, waar Fortuyn een spectaculaire overwinning haalde bij de verkiezingen voor de gemeenteraad, kwamen veel van die omstreden kwesties samen. De cohesie van de stad, van oudsher een bolwerk van de PvdA, stond onder druk door immigratie, hoge werkloosheid, het wegtrekken van de middenklasse, misdaad en toenemend pessimisme onder de oudere inwoners.

Waar heeft de revolte van ‘Pim’ nu toe geleid? Door Fortuyn heeft Nederland sterk de blik naar binnen gekeerd en zich achter de nationale grenzen teruggetrokken. Sombere, emotionele, en soms overspannen geluiden over het mislukken van de integratie, de verloedering van de samenleving en het behoud van de Nederlandse cultuur zijn het publieke domein gaan beheersen.

Fortuyn belichaamde ook de paradoxen van de moderne Nederlandse samenleving. Uniek aan de ooit radicaal-linkse babyboomer Fortuyn was dat hij een libertijn was, bijvoorbeeld op het gebied van de seksuele moraal, maar tegelijkertijd een conservatief die terugverlangde naar het huiselijke Nederland van weleer: de samenleving moest gemoderniseerd worden, maar de computers moesten het klaslokaal uit. Als vrijgevochten homoseksueel keerde hij zich tegen de ‘achterlijke’ islam, die de individuele bevrijding van de jaren zestig bedreigde; tegelijkertijd verdedigde hij de noodzaak van een volksgemeenschap met bindende normen en waarden. Hij wilde, net als D66, de representatieve democratie vervangen door rechtstreekse vertegenwoordiging, én hij introduceerde een type persoonlijk leiderschap dat werd gekenmerkt door charisma, populisme, en een autocratische stijl: niet de politieke partij was van belang, maar de persoon van de leider.

Aan het publieke ongenoegen dat Fortuyn blootlegde, is geen einde gekomen. Geen van de door Fortuyn bepleite staatsrechtelijke vernieuwingen is overgenomen, zelfs de gekozen burgemeester niet. Grote groepen kiezers voelen zich nog steeds vervreemd van de gevestigde politici. Er is behoefte aan richtinggevend en bindend leiderschap, maar politici zijn chronisch onzeker geworden en ‘luisteren’ vooral naar de burgers. Ideologisch sterk geprofileerde partijen – duidelijk rechts en duidelijk links – zagen hun aanhang bij recente verkiezingen groeien.

Wat rest, is vooral dat een aantal opvattingen van Fortuyn op het gebied van integratie en veiligheid vrijwel algemeen zijn geworden. Over de schaduwzijden van multiculturalisme werd in Nederland lange tijd alleen in bedekte termen gesproken; politici werden zelfs strafrechtelijk aangepakt voor uitspraken over de multiculturele samenleving, die nu gemeengoed zijn.

Dat doorbreken van taboes op een open gedachtenwisseling is zeker een verdienste. Maar vrijheid vergt ook verantwoordelijkheid. Na vijf jaar continu alarm over integratie, jihad, terrorisme, boerka’s en verruwing op straat moet ook worden vastgesteld dat de natie op een onvruchtbare manier gepolariseerd is geraakt. Er is sprake van verbale en schriftelijke ‘ontremming’ die wel het gemoed lucht, maar makkelijk doorschiet. Ook dát is de erfenis van Fortuyn, die problemen briljant kon agenderen, maar voor wie deëscalatie een moeilijke opgave was – én natuurlijk van diens moordenaar, door wiens toedoen we nooit zullen weten hoe het anders was gelopen.