KANTOOR IN JEMEN

Niemand weet hoeveel bureaucraten Jemen telt. Heel veel, maar werken doen ze niet. 's Ochtends zitten ze achter hun bureau, 's middags kauwen ze qat en vallen dan in slaap. Behalve de vrouwen, in boerka.

Jan Banning fotografeert ambtenaren overal ter wereld.

Vuilnisophaaldiensten zijn in grote delen van Jemen een onbekend fenomeen. Het afval ligt opgestapeld in straten en stegen aan de rand van dorpen en stadjes, het wordt van berghellingen gekieperd of op open velden verbrand. Mohammed Mohammed Shams Adeen (foto links) was ooit vuilnisman, maar is eind jaren negentig opgeklommen tot manager van de vuilnisophaaldienst in At-Tawilah en omgeving, gouvernement Al-Mahweet, ten westen van de hoofdstad Sana'a. Hij is verantwoordelijk voor elf werknemers en vier dagloners. Zeven werknemers zitten op kantoor, de overigen halen vuilnis op in een regio met zo'n dertigduizend inwoners.

De vuilnisophaaldienst heeft een verfijnd systeem van heffingen ontwikkeld onder het motto 'de vervuiler betaalt'. Handelaren betalen tussen de 20 en 50 riyaal per week (8 tot 20 eurocent); wie zijn handel vanuit een wagen aan de man brengt, betaalt meer dan de handelaar die zijn waren in een kraampje of op de grond uitstalt. Huurders betalen niets, huiseigenaren betalen een maand huur per jaar en wie een nieuw huis wil bouwen, betaalt jaarlijks 25.000 riyaal (100 euro) tot het huis af is, en dat kan in Jemen vele jaren duren. Alle bijdragen worden contant betaald, op kantoor.

In de praktijk leidt het principe 'de vervuiler betaalt' vaak tot het tegendeel: de betaler vervuilt.

Wie ervoor betaald heeft, laat zijn afval overal liggen, de vuilnisophaaldienst ruimt het wel op.

De dienst in At-Tawilah beschikt over twee open vuilniswagens en enkele handkarren voor de smalle steegjes in de stad. Het afval wordt gestort en in brand gestoken in het adembenemend mooie berglandschap net buiten de stad, waar enkele jaren geleden nog toeristen kampeerden.

Steigerend paard

De bureaucratische structuur van Jemen is nog jong. In het noorden wist imam Jahyah de Turken in de eerste helft van de vorige eeuw te verdrijven, maar de Britse bezetter bleef tot in de jaren zestig stevig genesteld in de zuidelijke havenstad Aden en omliggende gebieden. Pas in 1990 gooiden Noord- en Zuid-Jemen het op een akkoordje: ze vormden één natie met één nationale regering, oosters-autocratisch geleid door president Ali Abdullah Saleh van het General People's Congress, de dominante partij die voor analfabete kiezers een steigerend paard als symbool heeft gekozen. De man was al sinds 1978 aan de macht in Noord-Jemen en de eerste en tot nu toe laatste president van de Verenigde Republiek. In september 2006 is hij met een overweldigende meerderheid herkozen.

Een miljoen ambtenaren

Niemand kan precies zeggen hoeveel ambtenaren Jemen telt, maar inclusief leger, politie, gezondheidszorg en onderwijs hebben naar schatting 1 miljoen van de ruim 19 miljoen Jemenieten een inkomen van de centrale of regionale overheid. Zo'n 200 duizend ambtenaren werken voor het rijk, de hoofdstad, één van de twintig gouverneraten of één van de duizenden districten. Sinds 2001 komt voorzichtig enige decentralisatie op gang, langs de lijnen van de nationale ministeries, die hun filialen hebben in de gouvernementen en districten. Het is de bedoeling dat alle gouverneurs en districtshoofden de komende jaren direct of via getrapte verkiezingen gekozen worden, in plaats van benoemd door de regering.

Wie in Jemen op zoek gaat naar bureaucraten, treft een overdonderende gastvrijheid en vriendelijkheid aan. In de kale kantoren zien we hangende, rokende, half liggende, maar zelden echt werkende ambtenaren. Geen computers, weinig ordners, lege bureaus. Logboeken en schrijfgerei zijn ruim voorradig, maar vrijwel overal heerst een gebrek aan kantoormeubilair, moderne communicatieapparatuur, vervoer en budgetten om het noodzakelijke werk te verrichten. Op het platteland zijn overheidskantoren soms gesloten omdat de huur niet betaald is. Zo kan de bezoeker van een van de vele districtskantoren van het ministerie van Elektriciteit en Water ontdekken dat de kraantjes op het toilet niet werken of dat er fittingen zonder peertjes aan het plafond hangen.

Kromme dolk

Abdulwali Assablani, in 1955 geboren in het gouvernement Dhamar, studeerde bestuurskunde in Sana'a en kwam in 1984 in dienst van de overheid. In 2003 werd hij door de nationale regering benoemd tot districtshoofd in Dhi Sufal, in het zuidelijke gouvernement Ibb, na de hoofdstad het dichtstbevolkte gebied in Jemen. Assablani zetelt als een vorst in het eeuwenoude bestuursgebouw in Dhi Sufal, een fraai, oud stadje waar de tijd heeft stilgestaan. Hij draagt de traditionele thaw, een lang lichtgekleurd gewaad, met een colbert erover en een shal over de schouders. Om zijn middel een brede riem met een jambiyah, een kromme dolk. Hij heeft dezelfde zwarte snor en haardracht als de president, die statig boven hem hangt.

Het districtskantoor, waar 75 mensen werken, is alleen bereikbaar via zandwegen. De entree naar het oude centrum van het stadje is een modderpoel. Overal drek, vertrapte waterflesjes, blikjes en plastic zakjes.

In het gebouw lopen drie jongens met kalasjnikovs. Eén van hen is de negentienjarige zoon van Assablani, Bakhi, een jeugdige kopie van zijn vader. Enkele andere van de twintig kinderen van het districtshoofd zijn ook politieagent, soldaat of leraar. Ook om die reden is een overheidsbaan gewild: een ambtenaar zit dicht bij het vuur en kan dus zijn kinderen aan werk helpen. Voor het leven, want wie in Jemen eenmaal een baan heeft bij de overheid, moet het wel heel gortig maken om er nog uitgegooid te worden.

Assablani is verantwoordelijk voor alle overheidszaken in het district met 163.000 inwoners: onderwijs, gezondheidszorg, water en elektriciteit, planning en infrastructuur, maar ook geschillen over de begrenzing van landerijen en de openbare orde. Zijn bureau is leeg, evenals de stalen vitrinekast aan zijn linkerzijde. Geen schrijfmachine, laat staan een pc, geen telefoon, geen dossiers, helemaal niets. Assablani bestuurt door er te zijn, door zijn personeel duidelijke aanwijzingen te geven en door vergunningen en belastinginning te controleren. Dat is de bestuursstijl die we overal tegenkomen: het hangt allemaal aan elkaar van goede bedoelingen, met alle kans op willekeur vandien.

Nauwelijks werk

De meeste overheidskantoren kennen officiële werktijden van acht uur of half negen 's morgens tot half twee of twee uur in de middag. Tijdens onze onaangekondigde bezoeken treffen we slechts zelden vóór negen uur 's ochtends ambtenaren op hun post, de meesten komen rond half tien of tien uur. En vrijwel overal houden ze het tegen 12 uur of half een voor gezien. Een gemiddelde werkweek voor ambtenaren telt in Jemen zeker niet meer dan vijftien of twintig uren. Met presentielijsten kan gemakkelijk de hand gelicht worden, chefs hebben er moeite mee om hun werknemers tot aanwezigheid te dwingen als er eigenlijk nauwelijks werk te doen is.

'Om 12 uur gaan we naar de moskee', zeggen de ambtenaren in Al-Qaeda, een uit zijn krachten gegroeid stadje, onderdeel van het district Dhi Sufal. 'Alleen als er nog veel werk ligt te wachten, gaan we terug naar kantoor.' Maar de meeste moskeeën in Dhi Sufal en Al-Qaeda trekken buiten het weekeinde - dat in Jemen op donderdag en vrijdag valt - rond het middaguur enkel grijsaards. In ieder geval geen vitale ambtenaren. En niemand komt terug naar kantoor, ook niet als er nog veel werk ligt. De plek waar ze rond die tijd te vinden zijn, bevindt zich doorgaans wel vlakbij de moskee: op de qat-markt.

Een overgrote meerderheid van de volwassen mannen in Jemen kauwt dagelijks de bij voorkeur jonge bladeren van de qat-boom. Bij het consumeren van de milde drug komt een soort amfetamine vrij. Gebruikers zouden actief worden van de opwekkende stof in qat-bladeren, maar daar is in de praktijk niet veel van te merken. Met een bolle wang, alsof er een ballon in opgeblazen is, hangen ze na het middaguur ongeconcentreerd achter het stuur of liggen ze onder de toonbank van hun negotie glazig in de hoogte te staren. Het liefst zitten of liggen ze in groepen in de mafraj, de speciaal gebouwde qat-kamer op de bovenste verdieping van traditionele Jemenitische woningen, met fraai uitzicht naar alle windrichtingen. Ook bedrijven en kantoren hebben vaak een mafraj. Daar kauwen de Jemenieten hun qat, drinken ze sloten water en thee, roken ze een shisha (waterpijp) of de ene sigaret na de andere, discussiëren ze over alles en leggen ze ruzies bij.

Grote delen van het landbouwareaal zijn de afgelopen decennia beplant met qat-boompjes, die het schaarse water uit de grond slurpen en de grondwaterspiegel drastisch verlagen. Op speciale markten, waar alerte belastingambtenaren de qat-belasting innen, worden de verse takjes verkocht. Hoewel Jemenieten zweren bij de heilzame werking van qat, kan chronisch gebruik leiden tot langdurige slapeloosheid, uitputting, hallucinaties en hartklachten. Ze besteden er bovendien vaak de helft of meer van hun toch al karige inkomen aan.

Abdulghani Ali Al-Ansi, architect op het ministerie van Stadsplanning in Sana'a, vindt het qat kauwen in zijn land staatsvijand nummer 1: 'Tot een uur of elf 's ochtends zijn mensen humeurig, omdat ze niet hebben kunnen slapen door de stimulerende werking van qat. Vervolgens worden ze tegen twaalven hyperactief, omdat ze dwangmatig op zoek moeten naar qat. En tenslotte zitten ze tevreden te kauwen op die blaadjes, tot ze vroeg in de avond apathisch voor zich uit gaan zitten staren, half verdoofd. Dat proces herhaalt zich dagelijks.' En er lijkt geen kruid tegen gewassen. Inmiddels heeft de overheid het kauwen tijdens het werk wel verboden voor militairen en hogere gezagsdragers. Abdulghani Ali Al-Ansi, die zelf niet kauwt: 'Het enige effect is dat ze nu nog vaker niet op hun werk verschijnen, omdat ze het kauwen niet kunnen laten.'

Witte raven

Buiten de gezondheidszorg en het onderwijs was de overheidssector in Jemen tot een jaar of tien geleden nauwelijks toegankelijk voor vrouwen. Ze zijn nog steeds ver in de minderheid op overheidsburelen, maar er begint verandering in te komen. Jemen is als arm land sterk afhankelijk van westerse hulpgelden en daaraan zijn eisen verbonden van good governance en gender. Vooral typistes en secretaresses zijn vaak vrouwen. Ze zitten veelal geheel in het zwart gehuld achter hun bureaus, meestal met boerka, soms is hun gehele gezicht gesluierd en dragen ze zelfs handschoenen. Vrouwen met een onbedekt gezicht zijn witte raven.

Amira Ali Bin Oteak is er zo een. Ze is 42 en werkt sinds 1987 op de afdeling Personeelszaken van het gouvernement in Ta'izz. Naast haar werk voltooide ze een studie Engels, inmiddels leidt ze een team van vier vrouwen die opleidingsplannen maken voor alle circa 550 ambtenaren in dienst van het gouvernement.

Haar rode hoofddoek is een oase in de woestijn van geheel in zwart gehulde vrouwen. Amira draagt bewust geen boerka of khemar (totale gezichtsbedekking) 'Ik houd er niet van om mijn gezicht te bedekken. Ze zien hier liever wel volledige gezichtsbedekking, maar ik heb er nooit problemen mee dat ik het niet doe.' In de praktijk is het een privilege van de man om te bepalen of zijn echtgenote met onbedekt gezicht de straat op gaat. Amira is ongehuwd gebleven, omdat ze er als meisje niets voor voelde om te trouwen op een leeftijd van vijftien of twintig jaar, heel gebruikelijk in Jemen. Later kwam ze niet de geschikte man tegen. Vormt haar ongesluierde gezicht geen belemmering voor potentiële huwelijkskandidaten, die niet zo dol zijn op vrouwelijke eigenzinnigheid? Amira weet het niet, maar ze weet wel dat ze nooit zal trouwen met een man die haar dwingt om met bedekt gezicht de straat op te gaan.

Meisjesdroom

Zo eigenzinnig is de 38-jarige Nadja Ali Gayt niet. In een holle, betonnen ruimte in Manakhah, gouvernement Sana'a, zit ze achter een stalen bureautje. Helemaal in het zwart gekleed, in haar boerka is een smalle spleet vrijgelaten voor haar levendige bruine ogen. Het is niet gebruikelijk dat vrouwen uit de bergen van Haraaz in Sana'a naar de universiteit gaan. Maar Nadja had familie in Sana'a, bij wie ze kon intrekken, en een vader die dochters niet lager aanslaat dan zonen. Zo kon ze haar meisjesdroom verwezenlijken: landbouwingenieur worden.

In 1995 zocht het kantoor voor landbouwconsulenten in Manakhah iemand die vrouwen in de regio kon bijbrengen wat ze moeten doen als gewassen of dieren ziek worden, hoe ze efficiënt en rendabel landbouw kunnen bedrijven en hoe ze spaarzamer met het schaarse water kunnen omgaan. Een man kan dat werk niet doen, want een man alleen mag niet met vreemde vrouwen in één ruimte zijn en hij mag vrouwen ook niet thuis bezoeken. De baas herinnerde zich die bijzondere vrouw uit de streek die landbouwingenieur was geworden en haalde haar terug naar Manakhah. Met twee collega's in dezelfde kledij is ze nu verantwoordelijk voor de scholing van boerenvrouwen in de regio.

Nadja werkt vijf dagen per week van 8 tot 13.00 uur. Ze verzorgt haar drie kinderen in haar eentje; haar man werkt als journalist in Sana'a en komt alleen in de weekeinden naar huis. Van haar maandinkomen van 28.500 riyaal (110 euro) kan ze haar gezin niet onderhouden, maar ze komt een heel eind met wat de grond van haar familie voortbrengt.

In een logboek houdt Nadja nauwkeurig bij welke vrouwen uit de streek advies gekregen of een cursus gevolgd hebben. Achter hun namen staat opgetekend hoe de vrouwen zich verder wensen te ontwikkelen. Vooral 'kennis van de landbouw' en 'leren omgaan met computers' zijn populair. 'Maar er is geen geld en we hebben hier zélf niet eens computers.'

Zo is Nadja's minutieus bijgehouden logboek een soort verlanglijstje geworden van vrouwen in Manakhah en omgeving.

Achter hun boerka's en zonder bolle wangen van de qat bereiden vrouwen zich in stilte voor op de toekomst. Ze zijn de hoop van Jemen.

Jan Banning is fotograaf. Hij werkt aan een project over bureaucraten in de hele wereld. M drukte eerder de serie uit India af, waarvoor Bannnig een prijs van World Press Photo kreeg.

Will Tinnemans is journalist.

Dit artikel kwam tot stand met financiële bijdragen van de Stichting Democratie & Media, de NCDO, de SBKU en het Anna Cornelis Fonds.