In het Olympisch Stadion spreekt de stilte

Gisteren werd voor het derde achtereenvolgende jaar in het Olympisch Stadion een herdenking voor omgekomen sporters gehouden. „Er is geen groter contrast dan tussen sporten en sterven.”

Heinz Levy, bokser, Auschwitz. Lea Kloot-Nordheim, turnster, Sobibor. Gerard van der Wel, atleet, Bergen-Belsen. Jacob van Moppes, worstelaar, Sobibor. Cornelis Compter, gewichtheffer, Gusen.

Toen Erica Terpstra gisteren voor een zonovergoten Olympisch Stadion in Amsterdam de 36 namen van vermoorde olympiërs oplas, daalde er een ijzige stilte over de naar schatting tweehonderd genodigden. ‘Ontroerend’ en ‘indrukwekkend’ waren na afloop veelgehoorde kwalificaties voor de rede die de NOC*NSF-voorzitter ter gelegenheid van de derde ‘herdenking voor sport tijdens de Tweede Wereldoorlog’ uitsprak. De anders zo uitbundige Terpstra – gisteren in stemmig zwart mantelpak en met dito hoed – had een indrukwekkend staaltje soberheid ten beste gegeven.

Het tijdstip waarop de herdenkingsceremonie aanving was niet willekeurig. Op 3 september 1939, om half één in de middag, werd tijdens de voetbalwedstrijd tussen DFC en SVV op het zogenoemde Zilveren Bal Toernooi in Rotterdam het nieuws bekendgemaakt dat Groot-Brittannië, Frankrijk, Australië, Indië en Nieuw Zeeland de oorlog aan Duitsland hadden verklaard. Hoewel toen nog niet duidelijk was dat Nederland bij die oorlog betrokken zou raken, werd de nationale sportwereld wel voor het eerst duidelijk dat er roerige tijden in het verschiet lagen.

Hoe roerig 1940-1945 (ook) voor sporters was, zouden negenvoudig tafeltenniskampioen Cor du Buy (86) en oud-speerwerper Jaap van der Poll (93) tijdens een dubbelinterview in het Olympisch Stadion duidelijk maken. Maar tot frustratie van veel toehoorders ontaardde het gesprek in een rommelige discussie over mensenrechten in China. Nadat Du Buy had beschreven hoe een joodse collega-tafeltennisser aan het begin van de oorlog voor zijn ogen werd afgevoerd („wij hebben hem nota bene nog uitgezwaaid”) wilde een vragensteller weten of de Olympische Spelen van 2008 in Peking gelijkenis vertonen met de Spelen van 1936 in Berlijn.

„Die gaan niet gladjes verlopen”, voorspelde Van der Poll, die er, anders dan sommige collega-sporters, in 1936 voor koos om zijn land onder het toeziend oog van Hitler te vertegenwoordigen. Volgens de oud-speerwerper zouden veel topsporters ‘Peking’ volgend jaar links laten liggen. „Want China wil zichzelf, net als Duitsland toen, graag op de kaart zetten.” Toehoorder Henk Faanhof (84) schudde teleurgesteld zijn hoofd over het „bij elkaar geraapte zootje” achter de microfoon. „Herdenken is een goede zaak” vond de oud-profwielrenner die in 1942 als dwangarbeider naar Duitsland werd gestuurd. „Maar sleep er alsjeblieft niet allerlei randzaken bij.”

Het was gisteren even zoeken naar de man die na vele jaren lobbyen toestemming kreeg van de directie van het Olympisch Stadion om een herdenking voor sport tijdens de Tweede Wereldoorlog te organiseren. De joodse kunstschilder Martin Dijkstra (65) mengde zich onopvallend in het publiek, maar wilde graag uitleggen waarom zo’n plechtigheid niet uit de lucht gegrepen is. „Er is geen groter contrast dan tussen sporten en sterven”, aldus Dijkstra. „Kent u een sport die stil beoefend wordt?” Net als veel van de sprekers onderstreepte hij dat de sporters die tijdens de oorlog vermoord werden, niet stierven omdat zij sporter waren. „Daarom zie ik dit ook als een dubbele herdenking.”

Voor het stadion waar ruim zestig jaar geleden sporttoernooien werden georganiseerd door de SS, stonden sprekers ook stil bij de diversiteit aan sporters die tijdens de oorlog het leven lieten: joden, Sinti, Roma, verzetsstrijders en homoseksuelen. Terpstra vroeg zich af of de sporters die voor de oorlog deelnamen aan de Olympische Spelen, troost putten uit die ervaring in Auschwitz of bij hun gedwongen tewerkstelling in Birma. „Zou je daar, mishandeld en uitgemergeld, nog bij stil kunnen staan?”

Het indirecte antwoord op die vraag kwam gisteren van Van der Poll, die de laatste jaren van de oorlog in een Jappenkamp in Japan doorbracht. „Sporters richten hun vizier per definitie op de toekomst”, stelde de voormalig speerwerper. „Ze willen altijd beter en hoger. In moeilijke perioden putten zij levenskracht uit die natuurlijke dadendrang.”

Na afloop van de redevoeringen werden kransen gelegd bij het beeld van Prometheus, god van het vuur. Toen het trompetgeschal was verstomd, werden twee minuten stilte in acht genomen.

De meeste aanwezigen waren het erover eens dat een herdenking voor sport tijdens de Tweede Wereldoorlog zin had. „Al was het maar omdat de sportwereld een gesloten bastion is”, zei Dik Bruijnesteijn. De fameuze sportcartoonist (79) die in de oorlog in het Olympisch Stadiballenjongen was van Blauw-Wit, zou volgens het programmaboekje ‘sportherinneringen aan de oorlog ophalen’, maar kwam door een misverstand te laat aan op de plek van bestemming. „Wat ik had wíllen vertellen? Dat hoort u volgend jaar in de herkansing.”