IJssel spoelde Voermans vuile sop weg

Tentoonstelling: Jan Voerman: IJsselschilder. T/m 2 juni in Museum De Fundatie, Zwolle. Di-zo 11-17u. Inl: 0572-388 188, www.defundatie.nl

„Verbeeld u”, schreef Anna Voerman, echtgenote van de landschapschilder Jan Voerman Sr. in de zomer van 1906 aan haar moeder, „mijn man is zo-even op reis gegaan.” Het betrof een tochtje naar Amsterdam en Leiden waar de schilder met een collega de Rembrandttentoonstelling zou bezoeken. Drie dagen zou hij weg blijven: „Tenzij er een donderbui komt – dan komt hij eerder.”

Jan Voerman (1857-1941) was een gepassioneerd liefhebber van wolken, zoals ook blijkt uit overzichtsexpositie in Museum De Fundatie in Zwolle. Voerman bekeek ze tot hij scheel zag en schilderde ze in al hun verschijningsvormen. Hij vond het ondraaglijk om een imposante onweerslucht of een voluptueuze bloemkoolwolk te missen. Aan reizen had hij sowieso een hekel. „Wie in ’t paradijs woont, wenst het niet te verlaten”, zei hij vaak.

Dat paradijs was Hattem, een dorpje aan de IJssel iets ten zuiden van Zwolle – de schilder vestigde zich er in 1889 en verbleef er tot zijn dood. Hattem werkte als een balsem – op zijn gemoed, en op zijn kunst. In zijn Amsterdamse jaren maakte Voerman stemmige interieurs met titels als De Treurdagen (1884) en De Zieke (1886). Het waren grafzerkjes van canvas, maar geschilderd met scherp oog voor detail en een fraaie lichtval.

De nieuwe omgeving in Overijssel zette hem op een ander spoor. Het moest gedaan zijn met het ‘vuile sop’ van de Haagse school – helder van toon en fris van kleur zouden zijn doeken zijn, net als de natuur zelf.

Ter studie – en misschien ook om even weg te zijn bij zijn vijf kinderen – trok de schilder naar de oevers van de IJssel. Je ziet hem zitten: stoeltje, ezel, hoedje op, grasspriet in de mond. Het moet er goed toeven zijn geweest – een beetje schetsen, een beetje kijken naar de koeien, de tjalken, de bloemen in de weide. Maar niet naar de boerinnetjes, want Jan Voerman was een brave vader die altijd keurig op tijd weer thuis was voor het eten. Het schilderen zelf was minder idyllisch.

„Niemand weet”, schreef Anna Voerman – die niet alleen haar eigen, maar ook de correspondentie van haar man deed – „wat een zelfbeheersching, en hoeveel vastheid van wil er noodig was om zóo te studeeren, 2 volle jaren, zonder één zichtbaar resultaat. Hij heeft studies gemaakt, zóo droog, zóo suf, zóo zonder enige eenige zoogenaamde chic, of knapheid of schilderqualiteiten [...] dat men ze ziende, denken moet: is dat nu werk van ’n Voerman!”

Het was geen loze moeite: deze tentoonstelling (samengesteld door acteur Henk van Ulsen die een groot verzamelaar is van Voerman), is een aanrader voor iedereen die van fijnzinnige schilderkunst houdt, of van de schoonheid van het Overijsselse platteland. Er zijn prachtig gestileerde IJsselgezichten vol gebeitelde marmerwolken, loom grazende koeien en grasvelden egaal als biljartlakens – de skyline van Hattem (twee kerken en een molen) is nooit afwezig. Er zijn dromerige sfeerbeelden met dartele meisjes in witte jurkjes, fleurige bloemstillevens, vitrines vol schetsen van paardenlichamen, berkenstammen en wolkenstudies die die van John Constable naar de kroon steken. Rustiek zijn deze landschappen van Voerman, maar nooit romantisch. De natuur is bij hem geen ontzagwekkend mysterie, geen gapende leegte, het is een liefelijke, gecultiveerde natuur; een éénpersoonsoase toegesneden op de menselijke maat.