IJslands trots

Björk: Volta (One Little Indian; distr. Universal)

Bij elke nieuwe plaat van IJslands trots Björk zijn er twee zaken die meteen opvallen: die tussen elfengezang en trollengejank laverende stem, en de muzikanten die haar nu weer omringen. Die zang van haar, gruwel voor de een en zegen voor de ander, heeft zich eigenlijk nauwelijks ontwikkeld sinds ze zo’n twintig jaar geleden ineens de sensatie van de indierock werd met haar toenmalige groep Sugarcubes. Ze gilt, ze brabbelt, ze haalt uit, kortom: ze doorbreekt elke keer weer dezelfde oude regels, zoals een Britse recensent schreef.

In haar keus van begeleiders schuilen dan grotere verrassingen. Op Volta is er een bonte lijst actief, spekkie naar het bekkie van wie een beetje thuis is aan de linkerkant van het spectrum. Daar hebben we producer en r&b-vernieuwer Timbaland, media-lieveling Antony Hegarty (van & The Johnsons), en die kennen we allemaal. Maar helemaal watertanden wordt het bij het woeste Congolese collectief Konono No 1, avantgarde-slagwerkers Chris Corsano (Sunburned Hand Of The Man, Sonic Youth) en Brian Chippendale (Lightning Bolt), pipa-speelster Min-Xiao-Fen (da’s een soort luit), de Malinese kora-speler Toumani Diabate en tien vrouwelijke IJslandse koperblazers. Constante factor op bijna alle Björk-platen, en dus ook hier, is beats-leverancier Mark Bell, ooit in technogroep LFO.

Ligt het dan niet gewoon aan dat bonte muzikantenpalet dat Volta zo’n opmerkelijke plaat is geworden, hoor ik u nu brommen. Nee, want het is Björk zelf die al die elementen en invalshoeken aan elkaar smeedt tot een samenhangend geheel. Al is het goed zoeken naar die samenhang in zo’n bont palet aan klankkleuren en texturen, maar dat is nou juist de lol.

Die diepe koperklanken van IJslandse komaf lopen dan wel als een rode draad door de plaat, als een koor van getemde misthoorns. Mooi is dat effect in ‘The Dull Flame Of Desire’, een van de prachtige duetten met Antony. Maar voor de schoonheid van dit nummer te voor de hand liggende vormen gaat aannemen, is daar het wilde, ontregelende slagwerk van Corsano. Een mooi contrast, en ook weer niet, met de elastische beat die Timbaland knutselde onder het verder zo chaotische ‘Innocence’ of opener (en single) ‘Earth Intruders’, ook al opmerkelijk wegens de felle, schelle ritmefrutsels van de Konono’s.

Soms wordt die combinatiedrang zelfs deze auteur wat teveel. Maar de weeïg parelende kora-klanken van ‘Diabate in Hope’ krijgen hun betekenis op de een of andere manier pas in samenhang met de opmerkelijke tekst, waarin het gaat over een al of niet zwangere zelfmoordterroriste. Met zo’n onderwerpkeuze, en zo’n muzikale durf, mag Björk trots zijn op deze plaat. Wij zijn het op haar.

JACOB HAAGSMA